| ◄▬ | Thomas van Aquino en Hegel | ▬► |
No. 23583 De Maasbode van vrijdag 6 maart 1931
Thomas van Aquino en Hegel
OP SINT THOMAS-DAG 1931
Aan de viering van eeuwfeesten is de wijsgerige wereld is ons land de laatste jaren niet te kort gekomen. In 1927 herdacht de Societas Spinozana met een internationale bijeenkomst den 250sten sterfdag van den grootsten Nederlandschen wijsgeer, in 1929 herinnerde men zich dat er drie eeuwen waren verloopen, sinds Descartes zijn verblijf in ons land vestigde, het jaar daarop volgde bij geloovigen en ongeloovigen de herdenking van het 15e eeuwfeest van het afsterven van Augustinus, thans staat de viering van het eerste eeuwgetij van den dood van Hegel (11 Nov. 1831) voor de deur, en zal men zich in de verst uiteenliggende wijsgerige kringen op de betekenis van het Absolute Idealisme voor de geschiedenis van het menschelijk denken te bezinnen hebben.
Met evenveel, zo niet meer recht dan elders mag in Nederland de nagedachtenis van Hegel bij het weerkeeren van zijn sterfdag worden geëerd. Ook hier heeft de wijsbegeerte van Hegel aan tal van zoekenden de bevrijding gebracht uit den ban van materialisme en positivisme. Zij heeft ook bij ons de velen bevredigd, die met een herwonnen vertrouwen op de kracht van het denken den zin der verschijnselen in het Oneindige wilden verklaard zien, en die buiten de Openbaring om het Goddelijke vrij van alle anthropomophisme in het Absolute Bewustzijn wensten te vinden. Het Nederlandsche Hegelianisme is dan ook niet ontstaan langs den weg eener kritische bezinning die in Kant’s Ding an sich haar uitgangspunt en in Hegel’s Logische Begriff haar besluit vindt, zooals onlangs post factum door Pen is beschreven, 1) maar het is voortgekomen uit wat Spranger noemt: “weltanschaulig bedingte Voraussetzungen”. Alleen de behoefte aan inzicht in het zijn en aan kennis van het Onkenbare, die het “animal metaphysicum” nog tegen het einde der 19e eeuw ondanks alle positivisme en agnosticisme had behouden, kan de opleving van het Hegelianisme in Nederland begrijpelijk maken. Toen Bolland met zijn zeer persoonlijke interpretatie van Hegel’s wijsbegeerte te Leiden optrad, was de tijd voor den terugkeer naar een stelsel van metaphysiek reeds rijp. Het positivisme van een Opzoomer (1821 - 1892) was men moe, en met het Kantiaansche criticisme kon men tot opbouw van een wereldbeschouwing niet volstaan. De uitbundige Bolland heeft in Nederland een ongekende belangstelling in de wijsbegeerte wakker geroepen, en heeft ze door zijn onderwijs voor langen tijd in een bepaalde richting geleid. Door hem is het stelsel van Hegel de metaphysiek geworden van het vrijzinnig Protestantisme, nadat het vertrouwen op de Openbaring, door geen traditie of gezag meer gesteund, door de universitaire Schriftcritiek radicaal was gesloopt. Als de plons van een steen in een stillen vijver, zoo heeft de werking van Bolland in steeds grooter en steeds regelmatiger kringen zich verbreid. Thans heeft het Hegelianisme in Nederland zijn leerstoelen, zijn organen en zijn genootschappen, in den soberen gedachtengang en het luciede proza van een Bierens de Haan is het aangepast aan de moderne mentaliteit en aan de hedendaagsche problemen; het heeft contact gevonden, zoowel met het Spinozisme als met de critische philosophie; bovenal: het is uitgegroeid tot een complete wereld- en levensbeschouwing, tot een religie voor den van het positieve Christendom vervreemden en denkenden mensch, en het neemt als zoodanig in het wijsgeerig leven van Nederland de eerste plaats in.
Hoe staan wij, op Katholiek en Thomistisch standpunt, tegenover dezen triomf van de Hegeliaansche gedachte in de “lage landen“? Het streven naar religie na de strijdbare on godsdienstigheid van de 19e eeuw heeft ons, ook in Nederland, de laatste jaren niet enkel het Spinozisme maar ook het Hegelianisme dichter bij gebracht. Maar het transcendente Godsbegrip, waartoe reeds langs zuiver natuurlijke wegen de eischen van de rede den mensch moeten voeren, maakt voor ons iedere vorm van monistische of “kosmische” religie onaannemelijk. Zoo we als Katholieken het verval van het Christelijke waarheidsbetrouwen betreuren, als Thomist kunnen we ons ook zuiver-wijsgeerig met het Absolute Idealisme als zijnsverklaring niet vereenigen.
Wil dat zeggen dat het Thomisme zich in zijn geheel enkel contradictorisch tegenover het Hegelianisme verhoudt? Een bevestigend antwoord op deze vraag zou voldoende zijn om aan de betrouwbaarheid van het menschelijk verstand voor goed te doen twijfelen. Geyser is er terecht voor opgekomen, dat ‘t niet aangaat wijsgeerige theorieën enkel te beoordelen naar de criteria van waarheid en dwaling.2) Waar ‘t voor het menschenverstand niet gegeven is, alle grondslagen van een wijsgeerig stelsel bewijsbaar te maken, daar kan de mogelijkheid van de vorming van meerdere systemen a priori niet worden uitgesloten. Houdt men met ‘t verschil van uitgangspunt rekening dan blijkt de inhoud van die systemen niet zoover uiteen te liggen als men bij den eersten aanblik zou meenen. Dit geldt ook voor Thomisme en Hegelianisme. Het stelsel van Hegel, dat alle eindige zijn reduceert tot een phase in den dialectischen ontwikkelingsgang van de Absolute Idee, schijnt bij een oppervlakkige beschouwing met de realistische metaphysiek van het transcendente Godsbegrip van Thomas van Aquino geen enkele gelijkenis te vertoonen. Maar reeds de alleen-werkelijkheid Gods, die Hegel tegenover het phenomenale van de eindige dingen plaatst, kan in de richting van een transcendentie wijzen. Zowel voor Thomas als voor Hegel moet de grond van het eindige in het Oneindige worden gezocht. Daarenboven komt de Absolute Idee van Hegel met het Godsbegrip van Thomas ook hierin overreden, dat beide moeten worden opgevat als het Absolute Bewustzijn, van wiens eeuwige denken de zijnsinhoud van al het betrekkelijke afhangt: de eindige wereld is gekristalliseerde gedachte. Terwijl er volgens Hegel de wereld voor het Absolute uitsluitend immanent als bewustzijnsinhoud gegeven is, verleent volgens Thomas de Godheid aan het eigengedachte zijn een bestaan, weliswaar buiten zich, maar dan toch voortdurend en noodzakelijk van haar afhankelijk. De objectiviteit van de dingen bestaat dus voor beiden allereerst in het gedacht-worden door het Absolute, terwijl dit bij den Aquiner door de plaatsing buiten het denken zooal niet buiten de causaliteitssfeer, wordt vervolledigd.
Op ‘t gebied der kennisleer hebben Thomas en Hegel de erkenning van de beperktheid van het menschelijk verstand en van diens afhankelijkheid ten opzichte van het Absolute Denken gemeen. In ons land heeft de heer Poortman door een nieuwe en m.i. welgekozen terminologie het idealisme van den Duitschen wijsgeer nog nader tot het Thomistisch objectivisme gebracht. 3) Hij onderscheidt n.l. het Absolute Bewustzijn als suprasubject, waarvan de inhoud der kennis in zijn geheel afhankelijk is, en een veelheid van infrasubjecten, n.l. de individueele sterfelijke menschen, voor een kennis op hun beurt van de buitenwereld afhangen. Van subjectivisme kan dus alleen sprake zijn met betrekking tot het Absolute Supra-subject, in wiens realiteit de objectieve kennis van het infrasubject in laatste instantie gegrond is. Voor het beperkte menschenverstand is waarheid dus inderdaad de overeenstemming met een van het eigen bewustzijn onafhankelijk kenvoorwerp. Maar daartegenover staat, dat de alomvattende en volkomen bevattende waarheid alleen in ‘t bezit kan zijn van het Absolute Bewustzijn, dat van zijn kenobjecten niet meer afhankelijk is.
Voor den Thomist is ‘t niet onmogelijk dezen gedachtengang met instemming te volgen. Ook hij is overtuigd, dat in het menschelijk verstand de logische waarheid de ontologische wel kan benaderen, maar niet bereiken, en dat deze laatste alleen door het Verstand, aan wiens denken alle realiteit zijn oorsprong dankt, volkomen kan worden begrepen. Het nietige menschenverstand, aan het begripmatige denken gebonden, kan slechts een onbeteekenend stukje vermeesteren van de oneindigheid van het Zijn, waarvan ‘t voor de bepaling van zijn kennen afhangt. Als kennis de tegenwoordigstelling is van een object door een subject, dan zal zij, ook bij een gebonden zijn aan het objectieve, toch den stempel der betrekkelijkheid noodzakelijk meedragen, en daardoor van een volledige aanspraak op absoluutheid moeten afzien. De subjectiviteit van ons kennen moet bij de objectiviteit, waar wij ondanks dat alles naar streven, noodzakelijk ten achter blijven.
Zoo bezien, zal de liefde tot de eigen overtuiging alleen dan waarachtig zijn, wanneer ze vergezeld gaat van het deemoedige bewustzijn, dat ook andere meeningen naast de onze haar recht en haar waarde hebben. Nooit kan een menschelijk stelsel van wijsbegeerte de waarheid alzijdig, volledig en met volstrekte geldigheid formuleeren, maar steeds zullen er gebieden van de werkelijkheid zijn, die door andere systemen moeten worden bestreken, of die alleen door een subjectief-anders-ingestelde beschouwing objectief ‘t dichtst kunnen worden benaderd. De ware philosophia perennis kan dan ook niet bestaan in de continuïteit van een enkel stelsel, waar niets meer aan zou zijn toe te voegen, maar enkel uit de synthese van datgene, wat door de denkers der eeuwen, wie ze ook zijn mochten, uit zuivere liefde tot het weten aan waarheid is bijeen gebracht.
Op St-Thomas-dag in het Hegel-gedenkjaar mag een Thomist derhalve het Hegelianisme niet uitsluitend bezien als een stelsel van dwaling tegenover zijn waarheid, maar dient hij zich te verheugen over hetgeen ook door Hegel tot den schat der waarheidskennis is bijgedragen, en zich in zelfcritiek te versterken tegenover hetgeen hij in het Hegelianisme niet kan aanvaarden.
Bij de wisseling van problemen en richtingen zal ‘t de blijvende taak zijn van het Thomisme, de veronderstellingen, waar ‘t op berust, zoo dicht mogelijk het redelijk inzicht nabij te brengen, en binnen de grenzen, waar zijn zijnsverklaring toe reikt, zijn conclusie tot een logisch gesloten en behoorlijk verantwoord geheel te vereenigen, en zich door geen andere overwegingen dan door de stricte eischen van de problemen zelf te laten leiden.
De vraag dringt zich daarbij op, of het Thomisme noodzakelijk en voor alle verdere tijden het eenige stelsel van wijsbegeerte zal zijn, dat naast de geopenbaarde leer tot een redelijke wereldbeschouwing voor den Katholiek kan dienen. Met Geyser 4) meen ik zonder aarzelen deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Waar eeuwen lang een andere philosophie, die van Augustinus, de wijsgeerige overtuiging van de Christen-denkers gevormd heeft, daar is ’t m.i. volstrekt niet onmogelijk, dat het Thomisme eens op zijn beurt als geheel van wereldbeschouwing door een ander, voor die periode meer convenieerend stelsel zal worden vervangen. Zoals ‘t Thomisme naar inhoud en structuur door historische factoren is beïnvloed, zo zal ook dit zijn recht van bestaan in verband met de concrete omstandigheden aan de eischen van de rede moeten ontleenen.
Al schijnt het Hegelianisme met zijn Idee-begrip het Oneindige merkwaardig nabij te komen, in den vorm, waarin wij het thans kennen, is ‘t voor dat doel evenmin bruikbaar als het Aristotelisme in zijn oorspronkelijke beteekenis voor Thomas van Aquino kon dienen. Maar zouden ook zijn principen niet evenals met die van Aristoteles geschied is, door een zelfstandige interpretatie kunnen worden aangepast aan de eischen, die met name de problemen van de verhouding van het eindige en het Absolute en van subjectiviteit en objectiviteit in de tegenwoordige ontwikkeling van het wijsgeerig denken aan de menschelijke rede blijven stellen? De poging die door Peter Wust 5) in die richting gedaan is, mag niet als geheel mislukt worden beschouwd. Wellicht is het Hegelianisme bestemd om eens de immanentie van het Absolute in de aanschouwelijke wereld, de identiteit van denken en zijn en de majestatische grootheid van het kosmisch gebeuren tot ‘n bevredigende verklaring te brengen.
Een wijsgeerige theorie mag alleen naar haar redelijke aanvaardbaarheid, niet naar haar overeenkomst met eenig stelsel worden beoordeeld. Het is een Sokratisch princiep, zich niet bij een eens gegeven oplossing gedachtenloos neer te leggen, maar steeds verder te denken, en nieuwe, beter verantwoorde oplossingen op de oude vragen te blijven zoeken.
De Christen denker weet zich gebonden door de waarheid, maar staat vrij tegenover de systemen. Hij heeft vertrouwen in de bevoegdheid van het verstand, maar beseft daarbij de beperking van zijn kunnen. Maar, met ‘t oog gericht op de onmetelijkheid van het Zijn, ziet hij de toekomst van de wijsbegeerte hoopvol tegemoet.
Dr. FERD. SASSEN
1) K.J. Pen, Van Kant naar Hegel, Groningen-Den Haag, Wolters 1930
2) J. Geyser, Das Prinzip vom zureichenden Grunde, Regensburg, Habbel 1929, blz. 15
3) J.J. Poortman, Tweeërlei subjectiviteit, Haarlem, Tjeenk Willink, 1929
4) Geyser, t.a.p. blz. 16-17
5) Peter Wust, Die Dialektik des Geistes, Augsburg, Filser, 1928
| ◄▬ | Thomas van Aquino en Hegel | ▬► |