◄▬ Hoogleraarschap Leiden ▬►
Inhoudsopgave deze pagina
Hoogleraarschap Leiden 1946 Erepromotie Winston Churchill
1954 Herdenking G.J.P.J. Bolland 1956 Herdenking Avicenna
1946-1960 Het onderwijs in de wijsbegeerte te Leiden


Hoogleraarschap Leiden

De meer dan 18 jaren van mijn hoogleraarschap te Leiden hebben een bijzonder aangename herinnering bij mij achtergelaten. Over de toeloop tot mijn colleges heb ik nooit te klagen gehad. De relaties met collega's en studenten waren steeds zeer prettig. Met bijzonder veel genoegen denk ik terug aan de soms langdurige faculteitsvergaderingen in een rokerig lokaal van het universiteitsgebouw en aan de maandelijkse faculteitskoffietafels in het Gulden Vlies, later in De Doelen. 

Van het begin af aan had ik als hoogleraar van de wijsbegeerte q.q. zitting in het curatorium van het Legatum Stolpianum. 

In 1953 hebben wij het tweede eeuwfeest van het sterven van J. Stolp met enige plechtigheid gevierd. Dit kon geschieden, omdat, voor het eerst sinds 1915, weer een antwoord op een door curatoren gestelde prijsvraag voor bekroning in aanmerking was gekomen. De bekroonde was mijn oud- student van Nijmegen, pater S. Galama o.f.m.. De plechtigheid had plaats in het Groot-Auditorium, waarbij ik als voorzitter van curatoren een inleiding gaf en mijn collega L.J. van Holk een feestrede uitsprak. Daarna trokken wij in stoet, de pedellen met hun staven voorop, vervolgens de bekroonde met zijn gevolg en tenslotte een groot aantal hoogleraren in toga, naar de Pieterskerk, waar de rector magnificus, J.M. van Bemmelen, een krans legde op het graf van Stolp en ik de kerkvoogden bedankte voor de gelegenheid, die zij daartoe hadden gegeven. Galama is in 1954 bij mij gepromoveerd.


1946 Erepromotie Winston Churchill

Op 10 mei 1946 heeft te Leiden de erepromotie plaats gehad van Winston Churchill. Wij ontvingen hem en zijn vrouw in de senaatskamer, waar hij door de rector magnificus B.G. Escher (overl. 1967) werd toegesproken. Daarna begaven wij ons in stoet naar de Pieterskerk, onder de toejuichen van een talrijke menigte, die zich langs de weg, voor da ramen van de huizen en tot op de daken had opgesteld. In de Pieterskerk werd het woord gevoerd door de promotor R.P. Cleveringa en door de doctor honoris causa zelf. Mijn zuster woonde de plechtigheid met de dames van de hoogleraren in een van de zijbeuken van de Pieterskerk bij. Na afloop had een receptie plaats in het Groot-Auditorium, dat voor die gelegenheid geheel ontruimd was en waar alle aanwezigen Churchill de hand mochten drukken.

Later heeft in de Pieterskerk nog eens een erepromotie plaats gehad, van generaal J. Smuts, maar ik heb die niet kunnen bijwonen. Wel heb ik later de ontvangst van Smuts in de Koninklijke Academie bijgewoond.


1954 Herdenking G.J.P.J. Bolland

In 1954 hebben wij in de Universiteit een herdenking georganiseerd van mijn voorganger G.J.P.J. Bolland (1854-1922) in het Groot-Auditorium. Het woord werd gevoerd door mij als ordinarius, door G.A. van den Bergh van Eysinga (1874-1957) als leerling van Bolland en door J.C. Bruyn (1887-1963), bijzonder hoogleraar voor de Hegeliaanse wijsbegeerte.


1956 Herdenking Avicenna

In 1956 verzocht de ambassadeur van Iran mij, een herdenking in de universiteit te organiseren van het duizendste sterfjaar van de Arabische wijsgeer Avicenna.

Ook deze herdenking had in het Groot-Auditorium plaats en het lag voor de hand, dat ik als ordinarius daarbij wederom het woord voerde over de betekenis van Avicenna als wijsgeer. Mijn collega G.W.J. Drewes sprak over de plaats van Avicenna in de Arabische letterkunde. De ambassadeur van Iran en de zaakgelastigde van Pakistan waren bij de plechtigheid tegenwoordig. Kort daarna werden wij door de ambassadeur op een luisterrijke receptie in het Kasteel Oud-Wassenaar uitgenodigd.


1946-1960 Het onderwijs in de wijsbegeerte te Leiden

Van 1946 tot 1960 ben ik als enige ordinarius voor het onderwijs in de wijsbegeerte te Leiden verantwoordelijk. geweest. De bijzondere hoogleraren, dr. P.H. van Laer voor de Thomistische wijsbegeerte, dr. J.P. Mekkes voor de Calvinistische en dr. J.C. Bruyn (1887-1963) voor de Hegeliaanse wijsbegeerte, later dr. J.J. Poortman voor de metaphysica in de geest van de theosophie, heb ik zoveel mogelijk bij het onderwijs en de examens ingeschakeld. De tentamens voor de elk jaar toenemende aantallen studenten in de psychologie en de sociologie (resp. sinds 1947 en 1949) kwamen echter alleen voor mijn rekening. 

In 1956 heb ik daarvoor enige hulp gekregen door de benoeming van dr. J.H. Wenen als docent; in 1958 is hij bevorderd tot lector. 

In 1960 werd eindelijk een tweede gewone leerstoel voor de wijsbegeerte ingesteld en tot mijn voldoening is dr.mr. C.A. van Peursen, hoogleraar te Groningen, die in 1948 bij mij te Leiden gepromoveerd was, op deze zetel benoemd. De verhouding met van Peursen is van zijn aankomst te Leiden tot mijn vertrek uit Leiden allerprettigst geweest. Hij wist van curatoren gedaan te krijgen, dat het pand Witte Singel 71 tot Philosophisch Instituut werd bestemd en voor dit doel geheel werd opgeknapt en van boven tot onder met een nieuw meubilair werd voorzien. In januari 1964 konden wij het Instituut betrekken. Ik kreeg er een prachtige werkkamer boven vóór aan de straat, maar ik heb daarvan slechts enkele maanden kunnen profiteren, omdat mijn emeritaat op handen was. 

Ingevolge het bepaalde in de Wet op het wetenschappelijk onderwijs 1960 werd ik met ingang van het studiejaar 1964-1965, d.i. op 1 september 1964, eervol ontslagen, met dankbetuiging voor de bewezen diensten. Met grote spijt heb ik mijn werk aan de universiteit neergelegd, maar ik heb de bepaling van de wettelijke leeftijdsgrens altijd als een heilzame maatregel beschouwd. 

Eind mei 1964, vóór het begin van de eindexamens, heb ik mijn laatste college gegeven, maar tot en met 9 juli heb ik een groot aantal tentamens afgenomen : vele studenten wilden nog bij mij klaarkomen en niet de komst van mijn opvolger afwachten. Een publiek afscheidscollege heb ik niet willen geven.

Enkele jaren tevoren had ik zulk een afscheidscollege aan de Vrije Universiteit te Amsterdam van collega J. Waterink (1890-1966) bijgewoond, maar de persoonsverheerlijking en de onoprechtheid, die daarbij ten toon werden gespreid, stonden mij zo tegen, dat ik toen al besloten had, bij mijn heengaan uit Leiden daarvan af te zien. Ik ben dus "met de stille trom" vertrokken, maar ik heb met groot leedwezen afscheid genomen van de plaatsen, waar ik zo vele jaren met veel genoegen gewerkt had. 

In het najaar van 1964 boden curatoren aan de dat jaar wegens leeftijd ontslagen hoogleraren in "De Doelen" een diner aan, dat bijzonder prettig verliep.

 

◄▬ Hoogleraarschap Leiden ▬►
/**
Powered by Website Baker
*/