◄▬ 1947 ▬►
Inhoudsopgave deze pagina
1947 Colleges te Santander 1947 Conferentie van UNESCO te Mexico
1946-1947 Culturele akkoorden Onderscheidingen en benoemingen


1947 Colleges te Santander

In het voorjaar van 1947 kreeg ik een uitnodiging om in die zomer enkele colleges te geven aan een zomeruniversiteit te Santander in Noord Spanje. Toen ik mijn visum voor Spanje ging halen, verzocht de ambassadeur, toen geheten hertog de San Lucar, later hertog de Baëna, mij te spreken en beloofde mij, mijn reis te zullen regelen. Dit bleek maar al te zeer nodig te zijn, daar het corrupte Franco-regime het spoorverkeer ten bate van de partijleden laat exploiteren. Bij aankomst op het vliegveld van Madrid was er een ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aanwezig, die mij eerst meenam naar het Ministerie, vervolgens met mij in de stad ging eten en mij daarna een spoorkaartje in de hand gaf voor de nachttrein naar Santander. Kaartjes voor zulke grote treinen waren toen niet vrij te krijgen, maar konden alleen op de zwarte markt van leden van de Falange gekocht worden.

Te Santander waren de deelnemers aan de zomeruniversiteit ondergebracht in het groot-seminarie, een voormalig klooster, modern en comfortabel ingericht, met grote ruimten en zeer goede kamers. Er waren verschillende professoren uit het buitenland, onder wie ook Bochenski (Fribourg) en Leclercq (Leuven). De belangstelling voor de colleges was gering, omdat de meeste studenten, Spanjaarden en Zuidamerikanen, geen andere taal verstonden dan Spaans en de colleges in het Frans werden gegeven. Elke avond werd er op de grote binnenplaats van het seminarie een toneel- of muziekuitvoering gegeven, die volgens het program om 11 uur moest beginnen, maar feitelijk nooit vóór half twaalf begon. 

Op zekere dag ontmoette ik in de stad mijn Nijmeegse collega Frans Duynstee, met vrouw en baby-in-een-mand. Door de strenge deviezenbepalingen was hij in geldelijke moeilijkheden geraakt, maar daar de colleges aan de zomeruniversiteit zeer goed betaald werden, kon ik hem een voldoend aantal peseta's voorschieten. 

Van Santander reisde ik weer met de nachttrein naar Madrid, waar ik door verschillende Spaanse collega's enkele dagen bezig gehouden werd. Zo gingen wij met een auto van het Ministerie van Onderwijs naar Avila, Segovia en La Grancha, het vroegere buitenverblijf van de Bourbonse vorsten. Een andere dag bezochten wij het Escorial, met de kamers, die door Philips II bewoond zijn geweest, en het mausoleum van de Spaanse koningen in de crypte van de kerk. Met de trein ging ik, zonder gezelschap, een dag naar Toledo, waar ik tot ons beider verrassing, het Eerste Kamerlid mr. Kropman (1887- ) ontmoette. Verschillende dagen bracht ik door in het museum van het Prado, waar ik vooral geboeid werd door Jeroen Bosch, Goya en El Greco. Van Madrid reisde ik wederom per nachttrein naar San Sebastian aan de Noordkust, om de Conversaciones internationales catolicas bij te wonen. Hier was een internationaal gezelschap bijeen, maar van vrije gedachten- wisseling was geen sprake, daar bij het begin van de bijeenkomst op bevelende toon werd medegedeeld, dat er geen woord over politiek mocht worden gesproken. Wij bezochten ook de grotten van Altamira met de voorhistorische schilderingen.


1947 De algemene conferentie van UNESCO te Mexico

Ik had in Spanje zoveel van de Spaanse taal opgestoken, op basis van hetgeen ik vroeger te Fribourg van de Spaanse grammatica geleerd had, dat ik met enig vertrouwen de reis naar Mexico tegemoet zag, die mij tegen het zelfde najaar van 1947 te wachten stond. 

Begin november werd de algemene conferentie van UNESCO te Mexico geopend. De Nederlandse delegatie stond onder leiding van mijn vriend H.R. Kruyt, die vergezeld was van zijn vrouw, en werd in Mexico versterkt door de Nederlandse gezant prof. Kielstra en door dr. G.W. Locher, die aanwezig was namens de internationale organisatie van de musea, door dr. Sevensma, oud-bibliothecaris van de universiteitsbibliotheek te Leiden, die de internationale organisatie van de bibliotheken vertegenwoordigde, en door enkele Indonesiërs, die onder leiding van dr. Kreiken († 1964) aan ons gezelschap toegevoegd waren. 

De reis ging per vliegtuig van Schiphol naar New York en vandaar met een andere maatschappij via Houston naar Mexico, waar ik om 1 uur 's nachts aankwam en werd opgewacht door de secretaris van het Nederlandse gezantschap, de heer J. van der Gaag. Wij logeerden in Hotel Prince, in de onmiddellijke nabijheid van het centrum van de stad, de Alameda. De bijeenkomsten van UNESCO werden gehouden in een splinternieuw gebouw, dat bestemd was om als kweekschool voor onderwijzers te dienen. Er was een regelmatig vervoer georganiseerd van de hotels naar het vergaderingsgebouw, waar wij dag aan dag vele uren doorbrachten. Naast de conferentie was een bijeenkomst georganiseerd van twaalf beoefenaars der wijsbegeerte, waar ik met Jacques Maritain, Sarvepalli Rhadakrishnan (later president van India), Mc Keon e.a. mocht deelnemen. 

Invitation to meet Dr. S. Radhakrishnan 19 October 1961 (losse bijlage)

De Mexicaanse regering gaf ons de meest luisterrijke ontvangsten, waarvan ik mij in het bijzonder de grote receptie in het Ministerie van Buitenlandse Zaken herinner. De Nederlandse kolonie, ongeveer 90 personen sterk, deed haar uiterste best om ons het verblijf in Mexico aangenaam te maken.

Wij werden bij verschillende Nederlandse families, die tot de zeer welgestelden bleken te behoren, op lunches, diners en avondpartijen uitgenodigd. De Nederlandse kolonie had zelfs te onzer ere een comedie ingestudeerd, getiteld "Tante Jutta in Calcutta", waar ook de Belgische delegatie, o.w. minister Kamiel Huysmans (1871-1968) en Marnix Gysen (1899- ), en de Zuid-Afrikaanse delegatie naar kwamen kijken. Vooral de heer van der Gaag heeft zich de uiterste moeite gegeven om ons van dienst te zijn. Hij was altijd met zijn auto gereed om ons te vervoeren, liet ons prachtige tochten in de omgeving maken, organiseerde excursies, ging met ons naar het stierengevecht, waar hij de nodige explicaties verschafte, leidde ons naar het Mexicaanse nationale indoorgame Fronton en liet ons echt- Mexicaanse eet- en nachtgelegenheden bezoeken. 

De prachtige stad Mexico met haar vele kerken en andere monumenten uit de Spaanse koloniale periode, de heerlijke omgeving en de aangename lente-temperatuur hebben het verblijf van een maand in dit fantastische land onvergetelijk gemaakt. Daarbij ben ik diep onder de indruk gekomen van de godsdienstzin van het Mexicaanse volk. In 1947 was de godsdienstvervolging onder president Calles nog maar kort geleden geëindigd. De situatie van de Kerk in Mexico was nog in menig opzicht moeilijk. Geestelijke kleren mochten niet worden gedragen ; het bijzonder onderwijs werd in zijn vrijheid beknot. Ik heb echter geen land ter wereld gezien, waar zo veel en zo eerbiedig gebeden werd als hier. In de oude stad Mexico zijn in elke straat ten minste twee kerken, zoals in Rome, en op alle uren van de dag wordt in die kerken door een talrijke schare mensen, geknield op de grond, gebeden : mannen en vrouwen, arbeiders, deftige dames, officieren zijn hier gelijkelijk tegenwoordig. Een diepe indruk maakte ook de bedevaartsplaats Nuestra Senora de Guadalupe, per bus een half uur van de Alameda. Dag in, dag uit wordt dit heiligdom door duizenden bezocht, die op de knieën tot voor het altaar gaan om daar te bidden. Buiten de kerk : tientallen kraampjes met levensmiddelen van allerlei soort en devotionalia, en een permanente kermis !


1946-1947 Culturele akkoorden

Behalve het Cultureel Accoord met Frankrijk werden in 1946 en 1947 ook Culturele Accoorden gesloten met België en Luxemburg. Van de gemengde commissies ter uitvoering van die accoorden ben ik van het begin af lid geweest, van die met Frankrijk en Luxemburg voorzitter. Met de Luxemburgers werd slechts eens per jaar vergaderd, om de beurt in Nederland en in het Groothertogdom. Meestal werd er gelegenheid gevonden om buiten Den Haag resp. buiten de stad Luxemburg te vergaderen. 

Zo kwamen wij met onze Luxemburgse vrienden o.a. bijeen te Maastricht, Delft, Franeker, Roermond, 's Hertogenbosch en Arnhem; zij lieten ons gewoonlijk een autotocht door het liefelijke land van het Groothertogdom maken. 

Met de Belgische commissie waren de bijeenkomsten frequenter, zodat in 1962 reeds de 40ste vergadering bereikt werd, op 11-12 october 1967 de vijftigste vergadering. In deze Commissie is van het begin af aan uitsluitend Nederlands gesproken. De niet- Nederlands-taligen onder de Belgische leden kenden genoeg van onze taal om zich daarin in de vergadering te kunnen uitdrukken. Ook deze Commissie heeft op tal van plaatsen in de beide landen haar bijeenkomsten gehouden. Zo vergaderden wij te Antwerpen, Gent, Namen, Doornik, in het kasteel van Gaasbeek en in het kasteel van Mariemont, te Maastricht, Breda, Delft, Gouda, Utrecht, op de Hoge Veluwe enz..

Met de Fransen werd aanvankelijk om de acht maanden vergaderd, maar nadat Louis Joxe – tijdens de oorlog Secrétaire général du Gouvernement Provisoire de la République á Alger --, die later als voorzitter van de onderhandelingen tussen Frankrijk en de Algerijnen een grote rol heeft gespeeld, het voorzitterschap van de Commissie had neergelegd, was er van Franse zijde minder animo om ons te ontmoeten, zodat de afstanden tussen de vergaderingen steeds langer werden.


Onderscheidingen en benoemingen

De vergaderingen van de gemengde commissies gingen steeds gepaard met lunches, diners, ontvangsten, toneel- en muziekvoorstellingen. Ook werden al spoedig van weerszijden decoraties uitgereikt 

In 1947 werd ik Officier van het Legioen van Eer, daarna Commandeur in de Orde van Leopold II van België en in de Orde van de Eikenkroon van Luxemburg, in 1958 werd ik bevorderd tot Commandeur in het Legioen van Eer. 

In 1947 had ik in Mexico het bericht gekregen van mijn benoeming tot Geheim Kamerheer van Z.H. de Paus, in 1960 werd ik bevorderd tot Huisprelaat.

JHS:
Deze onderscheiding in 1950 wordt in de Herinneringen niet vermeld.

Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (losse bijlage)

 

◄▬ 1947 ▬►
/**
Powered by Website Baker
*/