| ◄▬ | 1915 Groot-Seminarie Roermond | ▬► |
| 1915 Groot-Seminarie Roermond | 1918 Diakenwijding |
| 1918 Pauselijk verbod op kranten en tijdschriften opgeheven | 1918 Revolutiedreiging |
| Theologische denkvorm |
In october 1915 deed ik mijn intrede in het Groot-Seminarie te Roermond. De ontvangst van de vreemde nieuw-aangekomene door de medestudenten was allerhartelijkst en ik heb in deze studiejaren te Roermond vrienden opgedaan voor het leven.
In het Seminarie van Roermond bestond een dagorde, beginnend te 5.30 uur 's morgens, waaraan door iedereen stilzwijgend streng de hand werd gehouden. Daarnaast hadden wij echter als studenten het bewustzijn, zeer vrij te worden gelaten, en inderdaad werd ons binnen het kader van de dagorde een grote mate van vrijheid gegund. Contrôle van de zijde van president en professoren was er nauwelijks of niet. Dit had echter ook het nadeel, dat er tussen professoren en studenten zeer weinig contact bestond. Alleen professor Jos Keuller († 1919), een man van grote eruditie en belangstelling in alle zaken des geestes, hield zich met de studenten op. In 1918 werd hij opgevolgd door professor Lemmens, de latere bisschop. Deze bracht in de verhouding van professoren en studenten geleidelijk verandering. Hij was een slecht docent en miste elke wetenschappelijke belangstelling, maar vulde dit aan door zijn hartelijk contact met de studenten, met wie hij in al hun persoonlijke aangelegenheden meeleefde.
![]() |
![]() |
Het leven in het seminarie van Roermond was vrij primitief. Alleen de oudere-jaarsstudenten hadden kamers, waar (op eigen kosten) gestookt kon worden. De jongeren, in elk geval de eerste-jaars en ten dele ook de tweede-jaars, moesten zich met een onverwarmde kamer tevreden stellen, maar genoten tijdens hun studie-uren de gastvrijheid van een van de ouderen, hetgeen uiteraard aan de studie niet ten goede kwam. Alleen de gemeenschappelijke zalen waren met gas verlicht; op de kamers moesten wij het met petroleumlampen doen, die wij zelf moesten schoonhouden en waarvoor wij zelf de nodige petroleum moesten kopen. Een badkamer bezat het seminarie niet. Ik kreeg echter de gelegenheid, bij de familie Knipping-Sassen geregeld van het bad gebruik te maken.
![]() |
Naarmate de wereldoorlog langer duurde, werd de situatie in het seminarie moeilijker. Het eten, dat aanvankelijk ruim voldoende was, werd in de loop van de jaren tot het uiterste minimum terug gebracht. Kolen werden zo weinig gedistribueerd, dat wij allerlei andere middelen moesten verzinnen om ons, althans enigermate, warm te houden. Vooral in de zeer strenge winter 1916-1917, toen de rivieren dicht lagen en het grote verkeer zelfs over het ijs van de Maas bij Roermond ging, werd de koude, met name in de totaal onverwarmde kerk van het seminarie, bijna ondragelijk. Op 2 februari 1918, Maria Lichtmis, werd zelfs wegens de uitzonderlijke omstandigheden ijsvrij gegeven, hetgeen in de geschiedenis van het Roermondse seminarie nog nooit was voorgekomen.
![]() |
Op zaterdag vóór Passiezondag 1918 heb ik in de kerk van het seminarie de sub- diakenwijding ontvangen, op de eerste zondag van october van hetzelfde jaar de diakenwijding, beide uit de handen van mgr. Schrijnen.
1918 Pauselijk verbod op kranten en tijdschriften opgeheven
Na de zomervacantie van 1918, toen de eerste wereldoorlog reeds ten einde ging lopen, werd in de discipline van het seminarie een aanmerkelijke wijziging gebracht. Tot dan toe was het, in het kader van de maatregelen van Paus Pius X tegen het modernisme, in de seminaries verboden kranten en tijdschriften van welke aard ook te lezen. Het spreekt vanzelf, dat dit verbod vooral tijdens de oorlog veelvuldig door de seminaristen werd ontdoken. Er was echter geen andere gelegenheid aan kranten te komen, dan op de vrije dinsdag- en donderdagmiddagen, waarop wij die in de stad konden kopen. In 1918 besloot echter de president ons gelegenheid te geven, ons op De Tijd te abonneren. Daarmee konden wij ons ook openlijk op de hoogte houden van de spannende gebeurtenissen, die in de volgende maanden te wachten waren.
Op zondag 10 november 1918 werd door enigen van ons, die in de stad bij hoogmissen geassisteerd hadden, het bericht binnen gebracht, dat de Duitse keizer over de Nederlandse grens was gevlucht. Het bericht leek zo onwaar- schijnlijk, dat het aanvankelijk als een grap werd beschouwd en geen geloof vond. Het was echter maar al te waar.. Daags tevoren was in Duitsland de revolutie uitgebroken en waren de keizer en de koning van Beieren, Saksen, Würtemburg en andere vorsten afgezet, terwijl de wapenstilstands-onderhandelingen in volle gang waren. Maandag 11 november werd de keizer in zijn eigen trein via Roermond naar Amerongen vervoerd. Verschillende seminariste zochten een voorwendsel om zich naar het station te kunnen begeven, maar vonden ook de president reeds op het perron. Er was echter niets te zien. De trein ging met gesloten gordijnen voorbij.
In de volgende dagen werd Roermond overstroomd met krijgsgevangenen van allerlei nationaliteit, die uit de Duitse gevangenkampen werden losgelaten en een goed heenkomen zochten. Zij werden in verschillende gebouwen in de stad voorlopig ondergebracht.
Intussen dreigde ook in ons land de revolutie en kwamen daartegen overal de burgerwachten in actie.
Maandag 11 november werd in de voormiddag de wapenstilstand afgekondigd, die de verpletterende nederlaag van Duitsland bezegelde. De volgende dag ging ik in Exaeten bij Baexem de situatie bespreken met mijn vroegere geschiedenisleraar van Canisius, pater L. Waters S.J., die daar was aangesteld tot bewaker van het algemene archief der Sociëteit, dat uit Rome naar Exaeten was overgebracht. Terwijl wij samen spraken, zagen wij voor het eerst grote eskaders vliegtuigen passeren, die bestemd waren om de ontruiming van België door de Duitsers te bespoedigen. Hij maakte mij duidelijk, dat ook in Limburg actief optreden van de burgerwachten gewenst was, teneinde communicatie tussen een eventuele revolutie in het Westen met de mijnstreek te voorkomen. Gelukkig is dit niet nodig geweest.
De theologische opleiding, die ik in het seminarie te Roermond heb gekregen, is gebrekkig geweest. De professoren voor de drie voornaamste vakken : dogmatiek, moraaltheologie en Schriftuur, resp. President Mannens († 1928), professor J. Keuller († 1919) en professor H. Everts († 1938), waren zo niet versleten, dan toch over hun beste tijd heen.
Na de philosophische studie te Fribourg kreeg de theologische denkvorm op mij geen vat meer. De enige, van wie ik in het seminarie te Roermond werkelijk iets heb geleerd, is professor P. Geurts († 1928), de voormalige hoofdredacteur van De Tijd, die enkele jaren tevoren in de geruchtmakende disputen met De Maasbode gewikkeld was geweest. Hij doceerde kerkgeschiedenis en gaf daarbij blijk van een uitgebreide belezenheid en een kritische zin, die bij mij de belangstelling in de geschiedenis in de ruimste zin in hoge mate hebben aangewakkerd.
| ◄▬ | 1915 Groot-Seminarie Roermond | ▬► |



