◄▬ 1945 Directeur-generaal Onderwijs ▬►
Inhoudsopgave deze pagina
Directeur-generaal Onderwijs 31 juli 1945 Afscheid van Nijmegen
1 September 1945 Ministerie van OKW October 1945 UNESCO in wording


Directeur-generaal Onderwijs

Op 12 juli, daags na de prijsuitdeling bereikte mij "s morgens te Weert een telegram van de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, mijn vriend G. van der Leeuw († 1950), die mij uitnodigde de volgende dag naar Den Haag te komen. Dit was gemakkelijker gevraagd dan gedaan : er was nog geen enkele trein- of busverbinding. Ook hier kwam onverwacht uitkomst. Het bleek, dat die dag iemand uit Leiden, bevriend met een van de priesterleraren van het College, met zijn auto in Weert was en nog dezelfde dag van plan was naar het Westen terug te keren. Hij was bereid mij via Nijmegen (om mijn bagage weg te brengen) naar Den Haag mee te nemen. Provisor Nabben wist op vertoon van het ministerieel telegram een extra rantsoen benzine los te krijgen. Zo reden wij die zelfde dag nog naar Nijmegen en verder door naar Den Haag, waar ik bij mijn broer en schoonzuster Lo en Dora logeerde en mij de volgende morgen bij Minister van der Leeuw presenteerde. 

Het bleek, dat hij de heer A. Oosterlee, directeur van de Klokkenberg te Nijmegen, op hetzelfde uur had ontboden en hij verzocht ons, functies aan zijn departement op ons te nemen, Oosterlee als directeur-generaal van de vorming buiten schoolverband, mij als directeur- generaal van het onderwijs. Het was een aanbod om over na te denken. Ik ging eten bij de familie Rouppe van der Voort, die geëvacueerd was op het kantoor van de firma op de Amsterdamse Veerkade, vond mijn vriend Poortman nog in leven en bezocht professor Beysens in het Mariagesticht, Toussaintkade 43. In de late middag trof ik Oosterlee weer in het hoofdkwartier van de padvinderij aan de Zeestraat en wij gingen met een auto, die door een padvinder in uniform bestuurd werd, naar Nijmegen terug.

Het was voor mij een moeilijk besluit, naar een andere "staat des levens" over te gaan. De uitnodiging van van der Leeuw leek mij echter een aanwijzing van de voorzienigheid. Het had er de schijn van, dat de vernielde universiteit in het verwoeste Nijmegen geen mogelijkheden meer had. Daarbij kwam voor mij de noodzakelijkheid om op korte termijn van woning te veranderen. Alles bijeen besloot ik op het aanbod in te gaan, vroeg en verkreeg verlof van mijn bisschop en vroeg mijn ontslag als hoogleraar te Nijmegen aan het bestuur van de St. Radboudstichting. Dit ontslag, hetwelk mij met ingang van 1 september 1945 verleend werd, hield tevens in de intrekking van mijn benoeming tot rector magnificus voor het studiejaar 1945-46.

Met dat al waren enkele dagen heengegaan, waarin van der Leeuw schriftelijk en telefonisch herhaaldelijk op aannemen had aangedrongen. Ik ging nog enkele malen met een auto van het ministerie, die hij mij stuurde, naar Den Haag voor verdere besprekingen en om te proberen, daar een huisvesting te vinden. In het Mariagesticht, Toussaintkade 43, was in het geheel geen plaats, maar de overste was bereid mij een slaapkamertje in te ruimen en Prof. Beysens bood mij aan alle maaltijden in zijn kamer te gebruiken. Daarmee zou dus voor de eerste tijd in de huisvesting voorzien zijn.


31 juli 1945 Afscheid van Nijmegen

Te Nijmegen gingen de academische werkzaamheden in dat wonderlijke jaar tot de 31ste juli door. Op die dag had ik daar mijn laatste werk te verrichten, n.l. de promotie van de heer J.H. Dubbink (Bijzonder hoogleraar Leiden, vanwege de stichting "Proklos"; 1966), die aanvankelijk op een datum in maart 1943 was vastgesteld, maar toen wegens de sluiting van de universiteit geen doorgang had kunnen vinden. De promotie had weer plaats in het aulagebouw,. dat echter nog steeds bij de Hoge Raad in gebruik was. De aula zelf diende tot zittingzaal van de Hoge Raad, die daar ook zijn eigen meubilair in geplaatst had.

De maand augustus ging voorbij met voorbereidselen voor het vertrek uit Nijmegen. De moeilijkheid om een huisvesting te vinden voor mijn zuster, was nog groter dan die voor mij. Toen tegen eind augustus nog niets gevonden was, was de familie van Son te Oudenbosch zo vriendelijk, haar voorlopig bij zich in huis op te nemen. Voor de opberging van haar meubilair werd in Oudenbosch een ruimte gevonden. 

Voor mijn boeken en meubels kreeg ik door bemiddeling van de familie Remmen te Nijmegen, bij wie ik in 1944 enige tijd ondergedoken was geweest, de beschikking over een zolder van de Broeders van Maastricht aan het Westeinde in Den Haag. Daar is alles opgeborgen gebleven tot januari 1946, toen ik mij na de dood van Prof .Beysens (overleden november 1945) in zijn kamers kon vestigen. Mijn zuster had reeds eerder kamers gevonden in het St. Elisabethsgesticht te Oudenbosch.


1 September 1945 Ministerie van OKW

Op 1 september 1945 begon mijn werk aan het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. De organisatie van het Ministerie was nog geheel in wanorde. De Minister zetelde in het pand Prinsessegracht 21, dat zojuist door een van de door de Duitsers ingestelde departementen ontruimd was. De meeste ambtenaren zaten met het gehele archief nog in Apeldoorn. Ik kreeg een kantoorruimte in het pand Alexanderstraat 16, waar ook de chefs van de afdelingen v.h.m.o. en l.o. ondergebracht waren. Mijn vroegere typiste uit Nijmegen, mejuffrouw J.M. Arts, die sinds kort bij Philips te Eindhoven werkte, had ik bereid gevonden, mij als secretaresse naar Den Haag te volgen.

Van der Leeuw was ondanks zijn geniale ideeën niet de man om aan de organisatie van het departement voldoende leiding te geven. Hem stonden grote plannen voor ogen, die later ten dele tot uitvoering zijn gekomen, maar hij miste de kennis van de organisatie en de wetgeving van het onderwijs, die nodig zou geweest zijn om met zijn ambtenaren een zakelijk gesprek te kunnen voeren. De besprekingen in de kamer van de minister waren dan ook altijd gezellig, de gesprekken onderhoudend en dikwijls amusant, maar de zaken, waar het over ging, kwamen gewoonlijk niet ter sprake. Aan de persoonlijke relaties met Minister van der Leeuw denk ik met veel genoegen terug, maar zakelijk heeft de samenwerking met hem niet veel opgeleverd.


October 1945 UNESCO in wording

Eind october 1945 besloot van der Leeuw naar Londen te gaan, waar een organisatie zou worden opgericht voor de internationale samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur. Wij vertrokken met een militair vliegtuig van het vliegveld Valkenburg (Schiphol was volkomen verwoest) in gezelschap van dr. G. Bolkestein, minister van onderwijs in het Londense oorlogskabinet, prof. H.R. Kruyt (Utrecht) en de heer L. Welling, hoofdinspecteur van het lager onderwijs. Ik had te voren eenmaal gevlogen, niet verder dan van Brussel naar Amsterdam en het was een ware sensatie, drie kwartier na het vertrek van Valkenburg de Engelse kust reeds te zien en een half uur later op London Airport te landen. 

De oprichtingsvergadering van wat later UNESCO zou worden, en waar wij een week voor hadden uitgetrokken, bleek een maand te duren. Wij kwamen voor het eerst sinds 5 jaren weer in contact met een internationaal gezelschap, dat grotendeels even onvoorbereid ter vergadering kwam als wij. Er werd veel gepraat en veel gelobbied. In Londen werden wij ontvangen en rondgeleid door de heer Reyneke van Stuwe, een Nederlander die daar al vele jaren woonde als journalist en kunsthandelaar en die tijdens de oorlog door minister Bolkestein was aangetrokken als chef van zijn kabinet.

Het overblijfsel van het Nederlandse ministerie van onderwijs, dat onder leiding van de heer R.V.S. stond, was gevestigd in een groot flatgebouw, in het centrum, niet ver van Piccadilly, genaamd Arlington House. Het heeft zich daar tot september 1946 weten te handhaven. De heer R.v.S. introduceerde ons ook in de National Liberal Club, waar wij met het traditionele Engelse clubleven konden kennismaken. Ook waren wij getuigen van de verschrikkelijke verwoestingen, die de Duitse bombardementen in Londen hadden veroorzaakt. Het trof ons echter, dat de puinhopen vrijwel overal reeds waren opgeruimd. 

De vergaderingen van de conferentie werden gehouden in het Royal Institute of Civil Engineers, vlak bij Westminster Abbey. Wij logeerden in een uiterst primitief pension, dat de heer R.v.S. voor ons gereserveerd had en aten in verschillende restaurants. Na jarenlang de uiterste soberheid in eten en drinken te hebben betracht vonden wij de Engelse maaltijden overvloedig. Het meest aangenaam was ons nog, dat wij zonder bon rookwaren in de winkels konden kopen. Voor andere lekkernijen kregen wij als vreemdelingen bonnen. De heer Bolkestein wist ons daarenboven via de zwarte markt bonnen te verschaffen voor schoenen. Een en ander was ons zeer welkom. De Engelse regering bood een aantal recepties aan en er werd een excursie gemaakt naar Oxford, waar de gedelegeerden over de verschillende colleges verdeeld werden voor de lunch. De dag eindigde met een tea in Corpus Christi College, waar ik mijn oude vriend Etienne Gilson van de Sorbonne terugzag. Het was 25 jaar geleden sinds ik Oxford gezien had en ik kwam opnieuw onder de indruk van de beata pacis visio, waarvan Jörgensen in de eerste oorlog gesproken had. Enkele dagen later ging ik nog eens geheel alleen naar Oxford terug om die indrukken nog eens te ondergaan en vooral om in het voetspoor van Newman Oriel College en St.Mary's Church te bezoeken.

De reis naar Londen met van der Leeuw was voor mij als het stappen in een schuitje, waar ik niet meer uit zou komen. In de loop van die winter ben ik nog verschillende malen in opdracht van de minister naar Londen gereisd. Soms kwam ik 's morgens tegen 11 uur het bureau van R.v.S. binnen, na diezelfde morgen uit Den Haag vertrokken te zijn.

 

Uitnodiging voor receptie op donderdag 15 november 1945 (losse bijlage)

 

◄▬ Directeur-generaal Onderwijs ▬►
/**
Powered by Website Baker
*/