◄▬ Wetenschappelijk werk ▬►
Inhoudsopgave deze pagina
Wetenschappelijk werk 1923 Niet doorgegane benoeming tot hoogleraar
Postuum eerherstel  


Wetenschappelijk werk

De jaren van Rolduc zijn voor mijn studie en mijn wetenschappelijk werk uiterst vruchtbaar geweest. Ik heb leren beseffen, dat "afgestudeerd zijn" betekent, dat men kan beginnen te studeren. De voorbereiding van de lessen kostte voorlopig veel tijd. Geleidelijk kreeg ik gelegenheid voor verdere studie. In 1913 had ik voor het eerst aan De Maasbode een stukje ingestuurd over "Pinksteren te Montreux". Toen dit stukje tot mijn vreugde geplaatst werd, ging ik door met correspondenties uit Zwitserland, die verder geregeld werden opgenomen en ook betaald. Daarenboven kreeg ik een perskaart, die mij hier en daar toegang verschafte. Vooral in het oorlogsjaar 1914-15 was er uit Zwitserland heel wat te berichten, dat voor de krant in Nederland welkom was. Met deze brieven uit Zwitserland is een medewerking aan De Maasbode begonnen, die bijna vijftig jaren, tot de opheffing van de krant, geduurd heeft. Ik heb er tientallen boeken besproken en een groot aantal artikelen over philosophie en aangrenzende onderwerpen geschreven. Jarenlang gaf de krant mij gelegenheid om op de vooravond van het feest van St.Thomas van Aquino, 7 maart, over enig actueel onderwerp een artikel te plaatsen.

Tijdens de seminariejaren was ik begonnen mede te werken aan "Van Onzen Tijd" en aan "De Katholiek". Toen eerstgenoemd tijdschrift in 1918 werd opgeheven, kreeg ik mijn artikelen geplaatst in "De Beiaard" en herhaaldelijk werd ik door de redactiesecretaris Gerard Brom uitgenodigd er op korte termijn een voor dat tijdschrift te leveren. In 1925 verdween "De Beiaard", maar intussen was in 1924 "Studia Catholica" opgericht, waar ik eveneens van het begin af aan heb medegewerkt en later tot de opheffing in 1960 tot de redactie heb behoord.

Geleidelijk was mijn belangstelling vooral gegaan in de richting van de geschiedenis van de wijsbegeerte. In 1928 verscheen mijn eerste boek "Geschiedenis der Patristische en Middeleeuwse Wijsbegeerte", nog in hetzelfde jaar gevolgd door "Geschiedenis van de Wijsbegeerte der Grieken en Romeinen". Door bemiddeling van mijn latere Nijmeegse collega Jos Schrijnen († 1938) was mijn werk geïntroduceerd in de "Philosophische Bibliotheek", uitgegeven door de Standaard-Boekhandel, toenmaals nog gevestigd te Brussel, later te Antwerpen. De Standaard-Boekhandel heeft nadien nog drie andere delen Geschiedenis der Wijsbegeerte van mij uitgegeven en alle vijf hebben verschillende oplagen beleefd.

In 1918 publiceerde ik, vanuit het Seminarie te Roermond, in VAN ONZEN TIJD een artikel "Over een inleiding tot de wijsbegeerte", waarin een plan voor zulk een inleiding uiteenzette. Kort daarop kreeg ik een uitnodiging van mijn latere Nijmeegse collega J. Hoogveld (1878-1942), toen nog docent in de philosophie aan het aartsbisschoppelijk klein seminarie te Culemborg, om hem te komen bezoeken. Ik had hem in 1916 een exemplaar van mijn proefschrift gestuurd en daar een vriendelijk briefje op terug ontvangen, maar verder contact was er niet geweest. Toen ik in de paasvacantie van 1918 te Culemborg bij hem kwam, bleek het, dat hij zelf met plannen tot het schrijven van een Inleiding tot de wijsbegeerte rondliep. Het gesprek verliep bijzonder prettig en het resultaat was, dat wij besloten, samen aan de Inleiding te gaan werken. Het plan is nooit tot uitvoering gekomen, althans wat onze samenwerking betrof; door allerlei oorzaken werden wij ieder van onze kant in de uitvoering belemmerd. Later zijn wij in onderling overleg tot het besluit gekomen, dat hij de systematische inleiding zou schrijven en dat ik mij meer naar de geschiedenis van de wijsbegeerte zou orienteren. 

De Inleiding van Hoogveld is eerst in de dertiger jaren verschenen, na zijn dood heb ik op verzoek van de uitgevers de derde en de vierde uitgave (1943, 1947) van het eerste deel en de tweede uitgave van het tweede deel (1949) bewerkt. Het gesprek met Hoogveld te Culemborg in 1918, waar wij elkaar zo goed bleken te verstaan, is het begin geweest van een vriendschap van vele jaren, die voor mijn verdere levensgang van groot gewicht is geweest. In 1920 werd hij vrijgesteld van zijn taak te Culemborg om aan de voorbereiding van de stichting van de Katholieke Universiteit te gaan medewerken. Hij vestigde zich daartoe te Utrecht en al spoedig nam hij mij in vertrouwen en gaf hij mij mondeling en schriftelijk te verstaan, dat er ook voor mij aan de Katholieke Universiteit een toekomst lag weggelegd. 


1923 Niet doorgegane benoeming tot hoogleraar

Inderdaad bereikte mij onder dagtekening van 12 maart 1923 een verzoek van de "Commissie van Organisatie inzake de Stichting R.K. Universiteit", getekend door de secretaris mr. C. Prinzen, om een benoeming te aanvaarden tot buitengewoon hoogleraar in de faculteit der letteren en wijsbegeerte "om onderwijs te geven in : Geschiedenis der wijsbegeerte, met name van de Grieken en Romeinen; algemene metaphysica, natuurphilosophie, wijsbegeerte der geschiedenis, geschiedenis der paedagogiek". Het salaris zou bedragen 4.500,--

Het verzoek kwam niet onverwacht; ik was er door Hoogveld al lang op voorbereid. De omvang van de leeropdracht schrikte mij niet af en ik nam het aanbod aan, na ontvangen verlof van mijn bisschop. De zaak was niet geheim gebleven : in de kranten verschenen een aantal namen van personen, die voor de nieuwe universiteit bestemd waren, en daaronder ook de mijne. Ik meende te kunnen verwachten, dat na de zomervacantie van 1923 mijn werk te Nijmegen zou beginnen en nam dus maatregelen voor mijn toekomstige huisvesting in de stad, waar ik in mijn jeugd al zovele jaren had doorgebracht. Maar het zou anders lopen.

In de winter van 1922-23 had mijn oud-leerling van Rolduc J van de Venne, later notaris te Roermond, die toen te Venlo in opleiding was voor het notariaat, mij een advies gevraagd inzake de eed op de successie. Aangezien ik mij in deze kwestie niet voldoende beslagen voelde, raadpleegde ik mijn collega A. Terstappen, doctor in de theologie, die mij zeide, dat volgens de mening van de moraaltheologen het niet ongeoorloofd zou zijn, bij deze eed een deel (tot een derde deel) van de erfenis te verzwijgen. Ik schreef dit aan mijn correspondent; deze liet mijn brief lezen aan zijn opleider, mr. Dubois, destijds inspecteur van de belastingen, later raadsheer in de Hoge Raad, en die zond hem door aan de minister van justitie, Jhr.mr. de Geer, de minister-president van 1939. De Geer bracht de zaak in de ministerraad en deze machtigde hem, aan de aartsbisschop te schrijven, dat een benoeming van mij aan de Katholieke Universiteit de regering niet aangenaam zou zijn. Hoewel de regering wettelijk in deze geen enkele zeggingsmacht had, gaf het bestuur van de St.Radboudstichting toe en voerde mij van de lijst der te benoemen hoogleraren af. Het werd mij door directeur van de Venne in opdracht van bisschop Schrijnen medegedeeld. Bezoeken bij bisschop Schrijnen en bij aartsbisschop van de Wetering leverden niets verder op dan dat ik misschien "later" nog wel eens in aanmerking zou kunnen komen.

De teleurstelling was bitter. Ik moest de reden van mijn niet-benoeming voor mijn moeder en naaste familieleden aannemelijk trachten te maken en mijn figuur tegenover mijn collega's van Rolduc en mijn leerlingen trachten te redden. Het heeft mij veel moeite gekost om dit alles voor mij zelf te verwerken. Mijn Rolducse vrienden, vooral Bernard Janssens en Jos. Cobbenhagen, hebben mij daar zeer bij geholpen. Later heb ik duidelijk gezien dat dit uitstel van mijn benoeming tot hoogleraar een voor mij zeer gelukkige beschikking van de Voorzienigheid geweest is. Het heeft mij gelegenheid gegeven, innerlijk verder te rijpen en daardoor mij beter op mijn toekomstige taak voor te bereiden. Daarenboven heb ik in de jaren na 1923 op Rolduc leerlingen gehad, met wie ik heel mijn verder leven relaties heb onderhouden, en van wier families ik zeer veel vriendschap heb ondervonden; ik denk hier aan de families Rouppe van der Voort te Vught en te Den Haag, en vooral aan de familie Nabben te Sevenum; ik zou deze vriendschap in mijn leven niet graag gemist hebben. Ook heb ik in deze jaren als collega gekregen Jos. Boosten, met wie ik sindsdien altijd bevriend gebleven ben en die mij als laatste van mijn Rolducse vrienden is overgebleven († 9 october 1965).

Toen mijn benoeming te Nijmegen niet doorging, werd naar een andere oplossing voor de mij toegedachte, zeer omvangrijke leeropdracht gezocht. Hoogveld hield mij daar geregeld van op de hoogte. Voor de Griekse philosophie werd als lector aangesteld dr. P.V. Sormani, rector van het Stedelijk Gymnasium te Nijmegen, voor de rest van de geschiedenis der wijsbegeerte en voor de systematische vakken dr. Titus Brandsma, Ord.Carm., docent in de wijsbegeerte aan het studiehuis van zijn orde te Oss. Sormani was 64 jaar; in 1924, toen hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte en als rector van het gymnasium moest aftreden, werd hij tot hoogleraar benoemd. Langer dan vijf jaren zou hij daarna niet meer in functie kunnen blijven, en Hoogveld hield mij voortdurend voor, dat er bij het aftreden van Sormani in 1929 voor mij weer een kans zou komen, en aan hem heb ik het te danken, dat die kans inderdaad verwerkelijkt is. Zoals hij mij vóór 1923 aan het bestuur van de St.Radboudstichting had voorgesteld, zo is hij na 1923 mijn candidatuur bij dat bestuur, d.w.z. bij het Episcopaat, blijven bepleiten. Ik wil het hier nog eens uitdrukkelijk vastleggen, dat ik mijn hoogleraarschap te Nijmegen .en daarmede mijn verdere loopbaan in het wetenschappelijk leven aan hem te danken heb.

 

Postuum eerherstel

JHS: In 1980 is oudoom Ferd postuum in zijn eer hersteld.

Prof. mr. L.J.M. Nouwen, Belastingmoraal, Weekblad voor Fiscaal Recht dd. 17 januari 1980
(...) 
Onlangs werd door de bewindslieden van Financiën onder nummer 15 905 een wetsontwerp ingediend tot herziening van de Vermogensbelasting. Zie Weekblad 5430/1. 
   Blijkens de memorie van toelichting hebben de bewindslieden daarbij overwogen de huidige vrijstelling voor kunst en antiek te limiteren. De vrijstelling-zo schrijven zij -is eigenlijk te ruim van opzet, namelijk voor belastingplichtigen die voornamelijk uit beleggingsoogpunt goederen zoals antiek, schilderijen, kopen. Na ampele overwegingen - zo gaan de bewindslieden verder - hebben zij echter besloten van een wijziging op dit punt af te zien, ondanks de principiële juistheid daarvan. En hoe luidt de motivering van deze deviatie van een juist bevonden principe? Luister goed, het is alsof kanunnik Janssen uit Leuven aan het woord is. Ik citeer Weekblad 5431 bladzijde 1334:
   'De praktische problemen die belastingheffing met zich zou brengen zouden er naar hun (dat zijn de bewindslieden) opvatting toe leiden dat de fiscus zo afhankelijk zou worden van de m~dewerking van de belastingplichtige, dat alleen de goedwillende belastingplichtigen daadwerkelijk in de belastingheffing zouden worden betrokken. Dat is in strijd met een van de beginselen van een rechtvaardige belastingheffing, namelijk het gelijkheidsbeginsel.'
   Hier wordt dezelfde redenering gehanteerd als waarvoor professor Sassen indertijd zo gevoelig werd gestraft door de minister van Financiën. Sassen toch was ook van oordeel dat de goedwillende belastingplichtigen zich niet behoeven te laten achterstellen bij hun kwaadwillende medeburgers, zeker niet als die laatsten in meerderheid voorhanden zijn. En wie onder ons durft zich nog in die mate positivist te noemen dat hij van oordeel is dat alleen de fiscale wetgever het recht zou hebben zich tegen een dergelijke achterstelling te verzetten? Ik zou menen dat als deze daarmee in gebreke blijft, de belastingplichtigen zelf hierin mogen voorzien, althans dat zij zulks doende zeker niet in strijd met de moraal handelen.

Het is ten slotte goed nog even te constateren dat bovenaangehaalde motivering uit de memorie van toelichting naar ik mag aannemen afkomstig is van onze huidige inventieve en van energie bruisende staatssecretaris van Financiën, evenals De Geer van protestantse huize (CHU) en bijbelkenner bij uitstek. Hij moge mij (ondanks mijn gesloten vizier) geloven dat ik, meer dan wie ook, mij verheug over dit, zij het laattijdig, eerherstel van Sassen!

 

◄▬ Wetenschappelijk werk ▬►
/**
Powered by Website Baker
*/