| ◄▬ | Reorganisatie hoger onderwijs | ▬► |
| 1946 Staatscommissie ter Reorganisatie van het Hoger Onderwijs |
1946 Staatscommissie ter Reorganisatie van het Hoger Onderwijs
Tijdens de oorlog was door mr. H. Reinink, die te voren chef van de afdeling hoger onderwijs van het ministerie van 0.,K. en W. geweest was, maar als zodanig door de Duitsers was afgezet, een commissie bijeengeroepen om een reorganisatie van het hoger onderwijs na de bevrijding voor te bereiden. In die commissie was elke van de universiteiten en hogescholen door een hoogleraar vertegenwoordigd. Van 1942 af heb ik aan de beraadslagingen deelgenomen. Gewoonlijk vergaderden wij in het anatomisch laboratorium van de universiteit van Amsterdam, waar collega M. Woerdeman ons ontving. In 1944 zijn de werkzaamheden uiteraard gestaakt. Wij hadden toen een aantal plannen gereed, die later nog dienst gedaan hebben.
In 1946 stelde minister van der Leeuw, die zelf deel genomen had aan de commissie-Reinink, de Staatscommissie ter Reorganisatie van het Hoger Onderwijs in, onder voorzitterschap van mr. H. Reinink, terwijl mevrouw mr. M.J. Koch-Kijlstra als secretaresse werd benoemd. In deze commissie fungeerde ik als voorzitter van de sectie H (philosophie, psychologie, paedagogiek) en van de sectie FV (voorzitters van faculteitensecties).
Daardoor had ik ook zitting in de centrale sectie, bestaande uit de voorzitters van de secties.
De staatscommissie, die door minister van der Leeuw was aangekondigd als voortzetting van de vroegere commissie-Reinink, groeide geleidelijk aan tot ongeveer 100 leden, omdat een aantal personen zich gepasseerd voelde, toen zij niet bij de eerstbenoemden waren en op benoeming bleven aandringen. In haar geheel heeft de commissie slechts tweemaal vergaderd : bij de installatie in 1946 en bij de ontbinding in 1949. Het werk werd gedaan in de commissies en deze hebben zeer dikwijls vergaderd. Het rapport van de staatscommissie is uitgebracht in 1949.
Intussen was minister Gielen, die van der Leeuw in 1946 had opgevolgd, in 1948 afgetreden en op zijn beurt opgevolgd door mijn vroegere Nijmeegse collega Th. Rutten. De vriendschap uit de Nijmeegse jaren heeft zich in de jaren van Ruttens ministerschap (1948-1952) onverminderd voortgezet. Reeds daags na zijn benoeming kwam Rutten bij mij en dat bezoek werd vrijwel wekelijks herhaald, zodat ik van alle belangrijke zaken van het Departement uit de eerste hand op de hoogte werd gehouden.
Het rapport van de Staatscommissie Reorganisatie Hoger Onderwijs verscheen dus tijdens de ambtsperiode van Rutten. Na kennisneming van de voorstellen benoemde hij nog in hetzelfde jaar 1949 de Commissie Hoger-Onderwijswetgeving, bestaande uit prof.mr. C. van der Pot (1880-1960), prof.mr. A. Donner en mij. Als secretaresse werd ons toegevoegd mevrouw Koch-Kijlstra, die de Staatscommissie op voortreffelijke wijze gediend had en die het rapport grotendeels zelf had geschreven. Adjunct-secretaris werd mr. N.F. Hofstee.
Toen de commissie werd ingesteld was van der Pot nog hoogleraar te Groningen. Om hem tegemoet te komen, vergaderden wij in het begin in de Provinciale Griffie te Zwolle, waar de Commissaris der Koningin, ir. J.B. ridder de van der Schueren, mij nog bekend van het Canisius-college te Nijmegen, ons ontving. Toen echter bleek, dat het werk in een dag vergaderen niet vlug genoeg vorderde, besloten wij verder in het Huis St.Hubertus op de Hoge Veluwe te vergaderen. Elf maal hebben wij daar telkens drie dagen vergaderd, tien á twaalf uren per dag. De voorzitter, van der Pot, eiste van ons de hoogste inspanning en gaf daarin zonder ophouden zelf het voorbeeld, ondanks zijn toen reeds gevorderde leeftijd. Tussen de vergaderingen kregen wij geregeld huiswerk mee.
De Commissie "Hoger-onderwijswetgeving" vroeg zoveel tijd, dat er in deze jaren van enig wetenschappelijk werk niets meer gekomen is. Het werk van de Commissie is echter het meest boeiende van mijn leven geweest. De gedurige gedachtenwisseling tussen de drie leden, personen van verschillende leeftijd, wereldbeschouwing en ontwikkeling, eiste voortdurende oplettendheid en bracht ieder van ons er toe, steeds het beste van zijn kennis en ervaring tot het gemeenschappelijke werk bij te dragen.
In de loop van de werkzaamheden kwamen wij tot de bevinding, dat wij ook de verhouding van de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam tot de Rijksoverheid en tot de andere universiteiten en hogescholen in onze beschouwing moesten betrekken. De Staatscommissie had daaromtrent geen besluiten genomen en wij hadden de vrijheid, deze aangelegenheid geheel zelfstandig te behandelen.
Na een toevallige ontmoeting met de Amsterdamse wethouder van onderwijs, mr. H. de Roos, waarover ik in de commissie verslag had uitgebracht, hadden wij een informele bespreking met burgemeester A. d'Ailly, mr. de Roos en mevrouw Abbas, secretaresse van curatoren. De burgemeester bleek echter prijs te stellen op een meer officiëel overleg over deze belangrijke aangelegenheid. Daarop droeg Minister Rutten mij bij beschikking van 30 oct. 1951 op, te zamen met mr. H.J. Woltjer, hoofd van de afdeling hoger onderwijs van zijn ministerie, in overleg te treden met vertegenwoordigers van het gemeentebestuur van Amsterdam over de toekomstige positie van de Gemeentelijke Universiteit in het Nederlandse hoger-onderwijsbestel. Aan het overleg namen voor de Gemeente Amsterdam deel : mr. W.M. Morren, directeur van onderwijs, en prof.dr. Vegting, secretaris van de senaat. Mevr. mr. M.J. Koch-Kijlstra trad op als secretaresse. Wij kwamen twee-maal onder mijn voorzitterschap bijeen, waarna wij verslag uitbrachten aan de minister.
Inmiddels was echter het eerste advies van de Commissie-van der Pot aan de minister uitgebracht, waren de adviezen van senaten en curatoren over dit rapport ingewonnen en had de Eerste Afdeling van de Onderwijsraad een uitvoerig advies over de gehele materie uitgebracht. Tegen de voorstellen betreffende wat de Commissie-van der Pot de "Hoge Academische Raad" genoemd had, bleken tal van bezwaren te bestaan. Ook het overleg met de vertegenwoordigers van Amsterdam had hoofdzakelijk betrekking op de bevoegdheden van de "Hoge Academische Raad" en daarnaast op de mogelijkheden van taakverdeling tussen (openbare en bijzondere) universiteiten en hogescholen, waarbij Amsterdam zijn eigen zelfstandigheid wenste te handhaven.
De adviezen van curatoren en senaten en van de Onderwijsraad, die door de minister ter kennis van de Commissie-van der Pot werden gebracht, gaven ons aanleiding tot het aanbrengen van enkele wijzigingen in ons oorspronkelijk ontwerp. In 1952 kwamen wij echter met het ontwerp voor een nieuwe hoger-onderwijswet definitief gereed. Volgens onze opdracht hadden wij ons doorlopend georiënteerd aan het verslag van de Staatscommissie 1946, maar waar deze niet tot eenstemmigheid gekomen was, of bepaalde punten niet had behandeld, moesten wij zelf een beslissing nemen.
Ook een ontwerp voor een nieuw academisch statuut kwam in 1952 gereed. Bij het einde van onze werkzaamheden kwam minister Rutten enkele dagen met ons op de Hoge Veluwe doorbrengen, ten einde zijn standpunt t.a.v. de nieuwe wet te bepalen. Het ontwerp-hogeronderwijswet, dat hij in 1952, kort voor zijn aftreden, heeft ingediend, kwam vrijwel geheel met ons ontwerp overeen.
Terstond na het optreden van minister Cals in 1952 bleek, dat hij in dit ontwerp weinig belang stelde. De Tweede Kamer maakte daarom ook geen haast met de behandeling en bracht eerst in 1956 een Voorlopig Verslag uit, dat ook wederom bleef liggen.
Op 11 dec. 1956 stelde minister Cals een tweede Commissie-van der Pot in, die behalve uit de leden van de eerste commissie bestond uit prof.mr. C.H. Polak, jhr.mr. van Holthe tot Echten, mr. H.J. Woltjer en mevrouw Koch. Als secretarissen traden op mr. N.F. Hofstee en drs. Veldman. De opdracht was, het ontwerp van 1952 aan de hand van de intussen ontstane literatuur nog eens te herzien. De voorzitter, van der Pot, was intussen na zijn emeritaat als hoogleraar naar Den Haag verhuisd en daar de gezondheidstoestand van zijn vrouw hem niet toestond 's nachts uit te blijven, vergaderden wij steeds in Den Haag.
In de loop van de zomer 1958 kwamen wij met ons rapport en een herzien wetsontwerp gereed. Omstreeks augustus 1958 vernamen wij plotseling dat minister Cals het wetsontwerp in de prullemand gedeponeerd had en door een van zijn ambtenaren in enkele weken tijd een geheel nieuw ontwerp in elkaar had laten zetten. De politieke bedoeling was duidelijk : door nu reeds een beslissing van de Kamer te krijgen over de regeling van openbaar en bijzonder onderwijs in dezelfde artikelen hoopte minister Cals een precedent te kunnen scheppen met het oog op de z.g.n. mammoetwet, waarvoor een ontwerp in voorbereiding was. Nog enkele weken te voren had hij de Commissie-van der Pot opdracht gegeven in haar ontwerp géén artikel op te nemen, dat de studievrijheid aan universiteiten en hogescholen zou kunnen beperken. Niettemin kwam in het door hem ingediende ontwerp, dat de misleidende titel droeg van "Herzien ontwerp 2597", maar dat in werkelijkheid een geheel nieuw ontwerp was, wèl zulks een artikel voor. De minister verwachtte terecht, dat tegen zulk een artikel in studentenkringen een heftig verzet zou ontstaan. Dit was dan ook feitelijk het geval en er werd in geheel het land zulk een rumoer over gemaakt, dat de aandacht van de Tweede Kamer zich vrijwel geheel op dit punt geconcentreerd heeft. De Kamer verwierp bij amendement het desbetreffende artikel en liet de zeer ingrijpende wijzigingen in het universitair bestel vrijwel zonder opmerkingen passeren. De minister had zijn doel bereikt.
Bij een gesprek, dat de Tweede commissie-van der Pot tegen eind augustus 1958 met de minister had, gaf van der Pot onomwonden te kennen, dat hij uitermate gegriefd en uitermate teleurgesteld was door de wijze, waarop de commissie door de minister was behandeld. Ik voegde daaraan toe, dat ik de indruk had, tien jaren voor niets gewerkt te hebben. Inderdaad had ik al die tijd vrijwel al mijn aandacht aan dit werk besteed en mijn wetenschappelijk werk geheel terzijde gelaten.
Het z.g. herziene ontwerp 2597 heeft geleid tot de wet op het wetenschappelijk onderwijs van 22 december 1960, waar niet alleen openbaar en bijzonder onderwijs, maar ook universiteiten en hogescholen op dezelfde noemer waren gebracht. Later is gebleken dat deze wet tal van lacunes en incongruenties vertoonde, zodat men zelfs genoodzaakt is geweest, in het voorjaar van 1961 nog enkele artikelen uit de oude hoger onderwijswet 1876 te laten herleven. Ook het ontbreken van uitvoeringsmaatreelen, met name van het academisch statuut, waaraan de nieuwe wet meer opdroeg dan de oude wet aan het statuut van 1921 gedaan had, en het ontbreken van voldoende voorbereid overgangsrecht heeft tot grote moeilijkheden aanleiding gegeven.
Mijn verhouding tot minister Cals is sindsdien stroef gebleven : aan weerszijden ontbrak het vertrouwen, dat voor een vruchtbare samenwerking nodig zou geweest zijn. De contacten waren weinig frequent en betroffen meestal zaken van de Onderwijsraad, waar ik als voorzitter voor moest optreden.
| ◄▬ | Reorganisatie hoger onderwijs | ▬► |