| ◄▬ | De jaren in Nijmegen | ▬► |
| De jaren in Nijmegen | 1932 H. Officie eist onmiddellijk ontslag |
| Onder censuur | Eigen “huis” |
De jaren van Nijmegen zijn enorm vruchtbaar geweest aan wetenschappelijk werk. Ik heb in die jaren zeer hard gewerkt en zeer veel gepubliceerd, boeken, tijdschriftartikelen, boekbesprekingen en krante-artikelen, de laatste vooral in De Maasbode. In de eerste jaren heeft de voorbereiding van de colleges, die sinds 1931 uitgebreid waren met geschiedenis der paedagogiek en didactiek en sinds 1932 met wijsgerige psychologie en wijsgerige ethiek, veel tijd gekost.
Na enkele jaren werd ik bestuurslid, later ondervoorzitter van de Openbare Leeszaal, destijds, tot de Duitse brandstichting van 1944, gevestigd aan de Van Schaeck Mathonsingel, schuin tegenover de Stella Maris. De maandelijkse vergaderingen van het bestuur leverden altijd een aantal boeken op, die door de bestuursleden moesten worden gelezen en van een bepaalde letter bij wijze van bepaling van de geschiktheid voor bepaalde leeftijden worden voorzien.
Ook werd ik lid van de gemeentelijke bioscoopcommissie, die elke vrijdagmiddag in de vijf bioscopen der stad de bij de wet toegestane gemeentelijke nakeuring op de films verrichtte. In elke bioscoop moesten drie leden aanwezig zijn en ieder lid nam op zich, bij verhindering een ander in zijn plaats te laten gaan. De gemeentelijke keuringscommissies hadden het recht om de leeftijden te verhogen en om de film af te keuren, maar niet om te couperen. Werd de film door de commissie afgekeurd, dan deed de bioscoopexploitant volgens afspraak een beroep op de gehele commissie, die dan door de voorzitter inderhaast tegen de volgende morgen (zaterdag) werd bijeengeroepen. In dat geval werd bij meerderheid van stemmen beslist.
De commissie stond destijds onder voorzitterschap van de heer Peters, oud- directeur van ‘s Rijks Kweekschool. Secretaris was de heer Fr. Verschuur, oud- directeur van de Nuts Kweekschool; deze heeft vele jaren het secretariaat met grote toewijding en nauwkeurigheid waargenomen, sedert 1948 onder voorzitterschap van mijn neef Mr. Ferd Sassen. *) De keuringscommissie, door de Duitse bezetters reeds op 10 mei 1940 opgeheven en terstond na de bevrijding in september 1944 weer hersteld, is in de zestiger jaren definitief opgeheven.
*) Genealogie Sassen
tC2 Xp. Mr. Ferdinand Karel Rudolf Clemens Sassen, geb. Gendringen 24 juli 1914, advocaat en procureur, (...), overl. Berg en Dal, gem. Ubbergen, 12 dec.1997,
tr. 1e Zutphen 10 april 1943 Louise Deurvorst, geb. Zutphen 30 januari 1919, overl. Nijmegen 19 dec. 1986, dr. van Franciscus Josephus Michael Deurvorst en Angeline Wilhelmine Roes. (...)
1932 H. Officie eist onmiddellijk ontslag
Op zekere dag in 1932 werd ik door de aartsbisschop, Mgr. Jansen (18681936) bij zich in Utrecht ontboden, met de mededeling, dat mij een minder aangenaam bericht te wachten stond. Hij las mij een brief voor van het H. Officie te Rome, waarin van het bestuur der St. Radboudstichting geëist werd, dat ik onmiddellijk als hoogleraar aan de Katholieke Universiteit werd ontslagen. Aanleiding daartoe was een artikel, getiteld "Thomas van Aquino en Hegel", dat ik in De Maasbode van 6 maart 1931 gepubliceerd had, en, zoals later is gebleken, was deswegen een aanklacht tegen mij bij het H. Officie ingediend door zekere V. Kuiper 0.P.. Na lezing van de brief zeide de aartsbisschop letterlijk : "U hebt het vertrouwen van het Episcopaat", hetgeen mij de eerste slag enigszins verzachtte. Inderdaad heeft het Episcopaat alles gedaan om het decreet van het H. Officie ongedaan gemaakt te krijgen en mij als hoogleraar te handhaven. Opdracht werd in die zin gegeven aan de procurator van het Ned. Episcopaat te Rome, Mgr. B. Eras (1876-19 ) en Hoogveld steunde die door zijn persoonlijke invloed bij zijn vroegere studievriend Mgr. Eras.
JHS:
Waar ging het eigenlijk over, vroeg ik mij af, toen ik voorgaande passage las.
De essentie blijkt uit Lüthy's artikel, hierna geciteerd:
In de door Sassen geciteerde avonduitgave van de Maasbode had hij gedurfd de vraag te stellen of de katholieke filosofie per se thomistisch moest blijven:
De vraag dringt zich op, of het thomisme noodzakelijk en voor alle verdere tijden het eenige stelsel van wijsbegeerte zal zijn, dat naast de geopenbaarde leer tot een redelijke wereldbeschouwing voor den Katholiek kan dienen.
Zijn eigen vraag beantwoordde hij heel duidelijk met een ‘nee’: hij meende “zonder aarzelen deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden”. Zijn redenatie was historisch van aard:
Waar eeuwen lang een andere filosofie, die van Augustinus, de wijsgerige overtuiging van de Christendenkers gevormd heeft, daar is het m.i. volstrekt niet onmogelijk, dat het thomisme eens op zijn beurt als geheel van wereldbeschouwing door een ander, voor de periode meer convenieerend stelsel zal worden vervangen.[6]
En dat nieuwe stelsel zou misschien wel Hegeliaans van aard kunnen zijn.
Tijdelijkheid van het thomisme
De voorstelling dat het thomisme slechts een voorlopig verschijnsel zou kunnen zijn, was echter voor velen onverdraaglijk. In een tijdperk waarin het meeste katholieke filosofieonderwijs – ook aan onze universiteit – door ordegeestelijken werd verzorgd, was het thomisme de enige leidraad. In verschillende kranten, en met name in De Tijd, werd in de weken en maanden na de publicatie van Sassens “Thomas van Aquino en Hegel” een polemiek tegen hem gevoerd. Onder de titel “Een leerzame Retractie. Ook voor ons Land leerzaam,” vermeldde bij voorbeeld De Tijd op 21 april 1931 met grote tevredenheid dat de bisschop van de Siciliaanse stad Piazza Armerina, Monseigneur Mario Sturzo, op gezag van “de Supreme H. Congregatie van het H. Officie” zijn stellingen met betrekking tot de tijdelijkheid van het thomisme moest herroepen. Iets dergelijks, schreef De Tijd, zou ook met professor Sassen moeten gebeuren! Feitelijk werd, zoals we zonet in Sassens “Herinneringen” hebben kunnen lezen, vanuit Nederland – en niet toevallig via een dominicaan – geprobeerd om hem via Rome in Nijmegen te ontslaan. De dominicaan in kwestie, Vincent M. Kuiper, was 1931 in Rome gepromoveerd met een proefschrift over Hegels Denken und die Erhebung zum spekulativen Standpunkt. Hij was tot de conclusie gekomen dat Hegel zich in de absoluutheid van zijn filosoferen met God vereenzelvigde. In De Tijd was zijn advies aan de lezers van Sassens artikel dan ook:
Als de echte God u lief is, laat Hegel dan maar ligen; want er is in de grond der zaak geen antigoddelijker denker dan deze tweede Lucifer, die opnieuw ons toesist: eritis sicut dii, als goden zult ge zijn.[7]
JHS
Het tekst van het artikel "Tomas van Aquino en Hegel" is opgenomen in de bijlage van dit hoofdstuk.
Op de vraag naar het verschil tussen de filosogie van Augustinus en die van Thomas van Aquino geeft ChatGPT een antwoord met de volgende samenvatting:
Samenvattend:
• Augustinus legt meer nadruk op de transcedentie van God en de rol van de innerlijke ervaring en genade in kennis en ethiek.
• Thomas van Aquino benaderde filosofie en theologie meer rationeel, probeerde de rede en openbaring te integreren, en geloofde dat de menselijke rede in staat is om veel aspecten van de werkelijkheid, inclusief God, te begrijpen.
Deze verschillen kunnen deels verklaard worden door de tijdsperiode waarin zij leefden: Augustinus leefde in de vroege middeleeuwen, terwijl Aquino in de latere middeleeuwen was, een tijd waarin Aristotelische filosofie een grotere invloed had.
Op de vraag naar het vershil tussen de filosofie van Thomas van Aquino rn die van Hegel geeft ChatGPT een antwoord met de volgende samenvatting:
Samenvatting
• Thomas van Aquino: Richt zich op het verzoenen van geloof en rede binnen een aristotelisch-katholieke metafysica, met een nadruk op het persoonlijke en transcendente God.
• Hegel: Benadert de werkelijkheid als een dynamisch, dialectisch proces waarin het Absolute zichzelf realiseert door de geschiedenis en het bewustzijn, met een nadruk op de immanentie van de waarheid en de rol van de geschiedenis in de zelfontwikkeling van het Absolute.
In essentie zijn de filosofieën van Aquino en Hegel zeer verschillend in hun benadering van de relatie tussen de werkelijkheid, de rede, en God, waarbij Aquino een meer statisch en theïstisch wereldbeeld biedt en Hegel een dynamisch, historisch en immanent systeem voorstelt.
Het resultaat was, dat ik inderdaad werd gehandhaafd, maar dat het Episcopaat allerlei waarborgen moest geven voor mijn verdere orthodoxie. Zo werd mij alle contact met niet-Katholieke philosophen verboden, en werden al mijn geschriften aan de praeventieve censuur van Hoogveld onderworpen. Ik moet erbij voegen, dat Hoogveld deze censuur zeer ruim heeft opgevat, en hetzelfde kan ik getuigen van Prof. Feron, vicaris-generaal en president van het seminarie te Roermond (1896-1958), die later als censor van mijn boeken is opgetreden en aan wie ik dikwijls waardevolle opmerkingen van zakelijke aard te danken heb gehad. Intussen heeft deze hele geschiedenis mij vele moeilijke uren berokkend; ik kon niet voorzien, dat alles per saldo nog zo goed zou aflopen en vroeg mij met zorg af, wat mij te wachten stond, indien ik werkelijk als hoogleraar zou worden afgezet. Ik heb er echter door geleerd wat de bedenkelijke praktijken van het H. Officie (veroordeling zonder verhoor van de verdachte) voor de betrokkenen betekenen en mijn wantrouwen in de Romeinse Curie is erdoor versterkt. Mijn werkkracht is er slechts korte tijd door geremd geweest.
JHS:
Het verbod om contact te hebben met "niet-Katholieke philosophen" werd al in 1934 'overtreden'. Zie hierna '1934 Internationaal Philosophencongres'. Kennelijk is het decreet door het Sanctum Officium geruisloos ingetrokken althans buiten handhaving gesteld.
Toen ik eenmaal een eigen "huis" had, ging ik niet meer zo lang achtereen als vroeger naar mijn moeder te Breda, maar bleef ik ook in de universitaire vacanties de meeste tijd in Nijmegen. Wel ging ik tenminste eens per maand een dag op en neer naar Breda om mijn moeder te bezoeken.
De dagen van het Triduum Sacrum bracht ik gewoonlijk door op Rolduc, het ene jaar om de retraite van de priester-leraren van maandag tot zaterdag in de Goede week mee te maken, het andere jaar om de stijlvolle plechtigheden in de kerk van Rolduc bij te wonen.
Na de Paasdagen te Broekhem ging ik dan vaak voor vacantie naar Lugano, waaraan ik sinds mijn studietijd te Fribourg zulke heerlijke herinneringen had bewaard. De vacantie te Lugano heeft zich enkele tientallen malen herhaald; ik heb er nooit genoeg van gekregen.
| ◄▬ | De jaren in Nijmegen | ▬► |