◄▬ 1946 Hoogleraar Leiden ▬►
Inhoudsopgave deze pagina
1946 De overstap naar Leiden 1946 Broer Ru overleden
1947 DRU commissariaat 1946 Oorlogskabinet afgetreden
Nov 1946 Eerste algemene conferentie UNESCO  1946 Ereraad Nederlandsche Unie
1946 Commissie Opleiding en Titel Psychologen 1946 Rijksbeurzencommissie
1951 Commissie Rijksstudietoelagen 1946 Subsidiëring bijzonder hoger onderwijs
1946 Commissie herziening Bioscoopwet 1928 1946-1948 Relaties met minister Gielen
1946-1947 Lezingen in Zwitserland


1946 De overstap naar Leiden

Met dat al heeft het werk aan het ministerie mij weinig bevredigd. De tredmolen van het ambtelijk bureauwerk ging mij steeds meer benauwen. Toen in het voorjaar van 1946 bij de minister de voordracht van de curatoren van de Rijksuniversiteit te Leiden binnenkwam ter vervulling van de vacature, die door het emeritaat van A.J. de Sopper (1875-1960) ontstaan was, en ik zag, welke weinig gequalificeerde personen daarop voorkwamen, wist ik van der Leeuw te bewegen, mij ter benoeming te Leiden aan de Kroon voor te dragen. Ik was bijzonder blij, weer tot het onderwijs en de wetenschapsbeoefening te kunnen terugkeren. 

Op vrijdag 17 mei 1946 hield ik te Leiden mijn oratie, over "Katholicisme en wijsgerig denken". Bij deze tweede inaugurale rede had ik geen familieleden uitgenodigd. Enkele Nijmeegse collega's, o.w. Gerard Brom en B. Hermesdorf, waren aanwezig.


1946 Broer Ru overleden

Op 10 september 1946 is de zeventigste verjaardag van mijn broer Ru in kleine kring te Ulft gevierd. Na de verwoesting van zijn huis te Terborg in het voorjaar van 1945 was hij met zijn vrouw ondergebracht in de "villa", vroeger bewoond door de familie Deurvorst, naast de fabriek van Diepenbrock & Reigers te Ulft. De fabriek, waarvan hij de oudste directeur was, was na de bevrijding weer langzaam op gang gekomen. De stemming was er niet naar de zeventigste verjaardag uitbundig te vieren. Te meer, omdat de leeftijd van zeventig jaren voor Ru het einde betekende van zijn directeurschap van DRU. Hij was van plan in de eerstvolgende vergadering van commissarissen zijn ontslag als directeur aan te bieden en verwachtte dan tot commissaris benoemd te worden.

Kort na zijn verjaardag moest Ru te Doetinchem een prostaat-operatie ondergaan. Hij heeft die goed doorstaan en was na een tweetal weken zover genezen, dat hij zijn werk kon hervatten. Enkele dagen later echter overviel hem een longontsteking, die waarschijnlijk niet snel genoeg als zodanig herkend is en waaraan hij 6 november 1946 te Ulft is overleden. Hij leeft in mijn herinnering voort met zijn altijd egaal opgewekt humeur, zijn plichtsbetrachting en onbeperkte toewijding aan zijn werk, waardoor hij mij altijd tot voorbeeld geweest is. Bij zijn begrafenis te Terborg op 11 november 1946 heb ik daarvan openlijk mogen getuigen, toen ik namens de familie de zeer talrijke aanwezigen op het kerkhof mocht bedanken.


1947 DRU commissariaat

In het voorjaar van 1947 bereikte mij het verzoek om in zijn plaats tot het college van commissarissen van DRU toe te treden en na enige aarzeling heb ik daarin toegestemd. Voorzitter was Prof.mr. P.W. Kamphuisen, leden M.W.M. Deurvorst, Ir. W.J.M. Deurvorst en ir. E.L.C. Schiff. Meestal werd vergaderd ten kantore van de AKU te Velp (waar Prof. Kamphuisen als gedelegeerd commissaris fungeerde), soms ook ten kantore van DRU te Ulft. De jaarlijkse aandeelhoudersvergaderingen hadden plaats in Restaurant Royal, Willemsplein te Arnhem. 

Moeilijkheden bleven niet uit. Het bedrijf van DRU kon slechts zeer langzaam op gang komen. De directeur, ir. A.J. Ingen-Housz miste de nodige bekwaamheid en toewijding om aan het bedrijf de gewenste leiding te geven. Op 1 mei 1947 werd, zeer tegen de zin van Ingen-Housz een tweede directeur benoemd in de persoon van W. de Nivelle, maar Ingen-Housz maakte hem het leven zo moeilijk, dat hij in 1952 gedwongen werd ontslag te nemen. 

DRU kennisgeving (losse bijlage)

In hetzelfde jaar nam M. Deurvorst ontslag als commissaris; hij werd opgevolgd door mijn neef Mr. F.K.R.C. Sassen. In 1953 werd als zesde commissaris benoemd ir. J.B. ridder de van der Schueren. 

Wij vierden in 1954 met grote luister het 200-jarig bestaan van DRU, maar in 1958 noopte de oppositie van de aandeelhouders het gehele college van commissarissen zijn ontslag te nemen. Het eerste besluit van de nieuwe commissarissen was : Ingen-Housz te ontslaan.

Losse bijlagen: 
de statuten van de DRU 1948 en 1956 in slideshow

Fotoboek 200 jarig bestaan in slideshown

 

1946 Oorlogskabinet afgetreden

In de loop van 1946 is het eerste na-oorlogskabinet Schermerhorn-Drees afgetreden en vertrok van der Leeuw uit het ministerie van onderwijs, kunsten en wetenschappen om zijn professoraat in de theologische faculteit te Groningen te hervatten; hij is in 1950 overleden.


November 1946 Eerste algemene conferentie UNESCO te Parijs

Te Londen was in 1945 besloten, dat de eerste algemene conferentie van UNESCO in november 1946 te Parijs zou worden gehouden. Ik werd door minister Jos.J. Gielen benoemd in de delegatie, die eerst onder zijn voorzitterschap, later onder dat van mijn collega en vriend H.R. Kruyt († 1959), de conferentie zou bijwonen. Met minister Gielen reisde ik per auto naar Parijs, waar ik sedert 1938 niet meer ge- weest was. Wij logeerden in het Nederlands Paviljoen van de Cité universitaire, bij de Porte d'Orléans. De levensomstandigheden te Parijs waren nog moeilijk. Tweemaal per dag, 's morgens en 's avonds, werd gedurende twee uren de electriciteitsvoorziening afgesloten. Ik vond het heerlijk weer in Parijs terug te zijn en van al de schoonheden van de stad en omgeving, waar ik tijdens de oorlog met weemoed aan had teruggedacht, opnieuw te mogen genieten. 

Op 19 november 1946 tekenden minister Gielen, dr. F. Bender en ik op het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Quai d'Orsay in de werkkamer van de minister, toen tevens chef du gouvernement provisoire, George Bidault, het Nederlands-Frans cultureel accoord. In de werkkamer van de minister herkende ik enkele van de gobelins, die in opdracht van Hendrik IV door Rubens zijn ontworpen en waarvan de ontwerpen in het museum van het Louvre hangen. 

UNESCO begon op gang te komen. Wij zagen een aantal gedelegeerden terug, die wij het vorig jaar te Londen hadden leren kennen en van wie wij verschillenden ook later nog herhaaldelijk in dit of ander verband zouden terugzien. De Franse regering zette luister bij aan de conferentie door de plechtige opening in het grote amphitheater van de Sorbonne, door grandiose recepties en door theater- en operavoorstellingen. Daarenboven werden aan de delegaties auto's met chauffeur ter beschikking gesteld. Voor het eerst maakte ik een grote internationale conferentie in grote stijl mee. Ik wist toen nog niet, wat mij op dit gebied nog te wachten stond.


1946 Ereraad voor onderzoek naar de Nederlandsche Unie

In het voorjaar van 1946 stelde minister-president W. Schermerhorn een ereraad in om een onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen en aanklachten tegen de Nederlandsche Unie en haar leiding (mr. L. Einthoven, mr. Linthorst Homan, prof.dr. J. de Quay), zoals die in 1945 in verschillende publicaties, o.a. in Het Parool en ook in een vertoog van de Groote Adviescommissie der Illegaliteit tot uitdrukking waren gekomen, en daarover een rapport uit te brengen.

De ereraad bestond uit dr. J.P. Fockema Andreae, Jhr. mr. W.M. de Braauw, H.M.J. Dassen, mr. W.A. Offerhaus, ir. A. Plate, dr. L.W.G. Scholten, mr. J. in 't Veld en mijn persoon. Secretaris was mr. J. de Visser. 

Wij hebben een groot aantal malen vergaderd, talrijke getuigen gehoord en alle publicaties van de Nederlandsche Unie in haar kortstondig bestaan van de eerste oorlogsjaren (aug. 1940 - dec. 1941) herlezen en met elkaar besproken. Het resultaat is geweest een rapport, dat wij op 29 augustus 1946 hebben getekend, in volkomen eenstemmigheid. "De publicatie, schreef Schermerhorn in het Woord Vooraf d.d. 1 september 1946, is een eerste poging tot beschrijving, gepaard aan een waardering der feiten, zulks met zoveel objectiviteit als 1946 ons veroorlooft." Als slotconclusie sprak de commissie als haar overtuiging uit "dat het optreden van het Driemanschap -- ondanks de in het eerste moeilijke oorlogsjaar begane fouten -- over het geheel genomen in het belang van Nederland is geweest en dat het werk van de Nederlandsche Unie -- dank zij het initiatief van het Driemanschap tot stand gebracht -- als zodanig voor Nederland een wezenlijke positieve waarde heeft gehad." Later zou blijken, dat door het werk van de Nederlandsche Unie de geest van verzet in ons volk is gewekt, en dat de verschillende verzetsbewegingen hun inspiratie voor een groot deel daaruit hebben geput. Zonder het voorbereidend werk van de Nederlandsche Unie zou de verzetsbeweging niet zulk een omvangrijke steun in het Nederlandse volk hebben kunnen vinden.

De conclusies van het rapport hebben geleid tot volledige rehabilitatie van het Driemanschap der Nederlandsche Unie. Mr. Einthoven, vóór de oorlog hoofd- commissaris van politie te Rotterdam, werd hoofd van de binnenlandse veiligheidsdienst, mr. Linthorst Homan vertegenwoordiger van Nederland bij de Europese gemeenschappen te Brussel, Prof. de Quay commissaris der Koningin in Noord- Brabant en in 1959 minister-president (tot 1963).


1946 Commissie Opleiding en Titel Psychologen

In februari 1946 riep minister van der Leeuw, verontrust over de kwakzalverij op het gebied van de psychologie, een aantal hoogleraren in de psychologie, psychiaters en practiserende psychologen bijeen om te beraadslagen over maatregelen, die daartegen zouden kunnen worden genomen. Tijdens de vergadering kondigde hij de instelling van een commissie aan (ingesteld bij beschikking van 14 maart 1946), genaamd "Commissie Opleiding en Titel Psychologen", waarvan hij mij tot voorzitter benoemde.

De commissie bestond verder uit de leden : dr. C. van den Berg, prof.dr. H.J.F.W. Brugmans, prof.dr. F.J.J. Buytendijk, prof.dr. Ph Kohnstamm, prof. dr. M.J. Langeveld, Jhr.dr. D.J. van Lennep, prof.dr. H.C. Rümke, prof.dr. F.J.Th.Rutten, prof.dr. J. Waterink en dr. W.J.P. Willems. Aan de commissie werd als secretaris toegevoegd : C. Sanders. De commissie heeft 23 malen vergaderd.

De commissie bracht in 1949 verslag uit (in druk verschenen bij de Staatsuitgeverij, 1950), dat als voornaamste voorstellen inhield : de instelling van een psychologisch-practijkexamen, analoog aan het artsexamen, af te leggen na het doctoraal examen psychologie, en de wettelijke bescherming van de hoedanigheid van practiserend psycholoog, die door het afleggen van dit examen zou worden verkregen.

Hoewel de universiteiten en de Onderwijsraad zich in beginsel met de voorstellen van de commissie eens verklaarden, is er door de tegenwerking van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid van de hoedanigheid van practiserend psycholoog nooit iets gekomen. Het psychologische practijkexamen is volgens het voorstel van de commissie in het academisch statuut 1963 opgenomen, maar de desbetreffende bepalingen zijn in 1970 nog niet in werking getreden. Voorstellen van de commissie tot wijziging van de eisen voor de examens in de psychologie zijn geleidelijk in het academisch statuur opgenomen.


1946 Rijksbeurzencommissie

Minister J.Th. de Visser (1857-1932) had in 1920 een Rijksbeurzencommissie ingesteld, onder voorzitterschap van een lid van de Raad van State, om hem van advies te dienen bij de toekenning van de toen nog maar in zeer gering aantal beschikbare studiebeurzen uit 's Rijks Kas. De commissie was gewoon de aanvragers, gering in aantal, voor zich te roepen en te ondervragen. De werkzaamheden werden regelmatig voortgezet tot in de bezettingsjaren, maar toen ontstonden moeilijkheden met de bezettende macht. Op 18 augustus 1943 werd de laatste vergadering gehouden. Enkele leden, die gevangen waren gezet, werden door de bezetter ontslagen, de andere leden namen alle ontslag. 

De commissie werd in 1946 onder minister Jos.J. Gielen geheel nieuw samengesteld. Voorzitter was prof. Grutterink (Delft) en ik werd tot ondervoorzitter aangewezen. Na het plotselinge overlijden van prof. Grutterink heb ik enige tijd het voorzitterschap waargenomen, daarna werd prof. M. Woerdeman (Amsterdam GU) voorzitter. 


1951 Commissie Rijksstudietoelagen

In 1951 is de commissie aangevuld en gereorganiseerd tot "Commissie Rijksstudietoelagen". Het aantal aanvragen en beschikbare gelden namen geleidelijk toe. Ook het bureau rijksstudietoelagen, dat aanvankelijk uit slechts één ambtenaar bestond, kreeg een aanmerkelijke uitbreiding en werd beter voor zijn taak geoutilleerd. In het begin lieten wij de twijfelachtige gevallen nog voor ons komen, maar al spoedig werd besloten deze ambtelijk te laten afdoen. Het hoofd van de afdeling Rijksstudietoelagen, de Heer van der Zandt, riep daartoe geregeld een sub-commissie bijeen, bestaande uit de oud-inspecteurs J. van IJzeren, J. van Andel en mij. Wij behandelden dan de twijfelachtige gevallen aan de hand van de stukken. Tenslotte was echter het aantal aanvragers zo toegenomen, dat de commissie als zodanig geen taak meer overbleef. Het was in het geheel niet meer mogelijk, de vele duizenden aanvragen te beoordelen en nog veel minder, op de studie van de bursalen enig toezicht uit te oefenen, hetgeen aan de commissie van 1920 nog was opgedragen. 

Omstreeks 1960 besloten de voorzitter, prof. Woerdeman en ik, in overleg met de toenmalige chef van de afdeling, mr. A. Kreykamp, de minister te verzoeken, de commissie te ontbinden en het werk voortaan geheel door het bureau te laten verrichten. Dit is geschied. Mijn bemoeienis met de rijksstudietoelagen was daarmede voorlopig geëindigd.


1946 Subsidiëring van het bijzonder hoger onderwijs

In juli 1946 heb ik mij ingevolge een opdracht van minister Gielen in verbinding gesteld met de Heren mr. H.W. de Jong, secretaris van het bestuur der St. Radboudstichting, en mr. J. Terpstra, secretaris van het Directorium der Vrije Universiteit, ten einde op de hoogte te worden gebracht van de mening van bedoelde besturen in zake de subsidiëring van het bijzonder hoger onderwijs. Ik heb daartoe met deze heren, ieder afzonderlijk, de volgende punten besproken: 1) het beginsel der subsidiëring (eventuele bezwaren van principiële aard), 
2) de wettelijke grondslag der subsidiëring, 
3) mogelijke stelsels van subsidiëring : vaste jaarlijkse bijdrage voor elk der bijzondere instellingen, dan wel : bedrag per student, overeenkomend met het bedrag, dat aan de openbare universiteiten en hogescholen door de overheid per student ten koste wordt gelegd, dit bedrag al dan niet te variëren naar de verschillende faculteiten, 
4) mogelijke voorwaarden voor subsidiëring: 
a) finantiele controle, hetzij op begroting, hetzij op de rekening en verantwoording, 
b) bekrachtiging door de Kroon van benoemingen en ontslagen, 
c) rolverdeling, met dien verstande, dat aan de bijzondere instellingen in elke faculteit het minimum van studierichtingen wordt gewaarborgd, dat voor een universiteit of hogeschool als wezenlijk kan worden beschouwd, terwijl het aan de bijzondere instelling blijft vrijstaan, daarnaast uit eigen bronnen andere studierichtingen te bekostigen, 

Zoals te verwachten was, verklaarden de beide heren niet gemachtigd te zijn, het standpunt van hun resp. besturen ter zake weer te geven. Ik heb hen daarom verzocht, mij na ruggespraak met de besturen een schriftelijk exposé te geven (op zeer korte termijn) van hetgeen de mening van de besturen omtrent bedoelde punten geacht kon worden te zijn. Na ontvangst van deze exposés zou dan een nadere informatieve bespreking met vertegenwoordigers van de besturen van de bijzondere instellingen kunnen leiden tot het opstellen van een gemeenschappelijke uiteenzetting van de in die kringen heersende denkbeelden omtrent subsidiëring.

Na een nadere mondelinge toelichting ontving ik uitvoerige schriftelijke antwoorden van het Directorium van de Vrije Universiteit (d.d. 26 sept. 1946), van het Bestuur der St. Radboudstichting (d.d. 9 oct. 1946) en van het Curatorium van de Katholieke Economische Hogeschool (d.d. 9 oct. 1946). Daardoor was ik in staat op 23 oct. 1946 aan minister Gielen schriftelijk verslag uit te brengen, vergezeld van een ontwerp voor nieuwe artikelen 197 t/m 197 quinquies der Hogeronderwijswet. Een en ander werd nog besproken in een bijeenkomst ten Departemente d.d. 6 nov. 1946 onder mijn voorzitterschap, waaraan werd deelgenomen: namens Directeuren der Vereniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag: door dr. J.J.C. van Dijk en mr. J. Terpstra; namens Curatoren der Vrije Universiteit: door mr. J. Donner en mr. J. Verdam; namens het Bestuur der St. Radboudstichting: door mr. P.H.W. Truyen en mr. H.W.J.W. de Jong († 1970); namens Curatoren der R.K. Universiteit : door dr. W.A. Boekelman en mr. J.R.H. van Schaik; namens het Curatorium der Katholieke Economische Hogeschool: door Mgr.dr. Th. Verhoeven en Mgr. dr. Th. Goossens.

Een tweede bijeenkomst met dezelfden had plaats op 13 april 1947. De besprekingen hadden een aangenaam verloop en over de voorstellen werd eenstemmigheid bereikt. Uit deze voorstellen is de eerste subsidiëring van de bijzondere universiteiten en hogescholen voortgekomen, welke is vastgelegd in de Wet van 3 juni 1948, Stb. I 231, die met terugwerkende kracht van 1 jan. 1947 af gegolden heeft. 

Spoedig zou blijken, dat deze subsidiëring ten enenmale onvoldoende was om de bijzondere instellingen in stand te kunnen houden, vooral toen deze ook met faculteiten van geneeskunde en wis- en natuurkunde werden uitgebreid. De eerste wijziging is tot stand gekomen bij de Wet van 26 juni 1952, Stb. 377; de Wet op het wetenschappelijk onderwijs van 22 dec. 1960, Stb. 559 bracht in de artikelen 110 en 111 een verdere wijziging; de theologische faculteiten van de bijzondere universiteiten werden in de subsidiëring betrokken bij de Wet van 27 juni 1963, Stb. 288, met terugwerkende kracht tot 1 jan. 1961.


1946 Commissie tot herziening van de Bioscoopwet van 1928

Bij beschikking van 18 december 1946 werd door de ministers van Binnenlandse Zaken (Beel) en van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (Gielen) een commissie ingesteld tot herziening van de Bioscoopwet van 1928 en werd ik tot voorzitter benoemd. Leden waren : mr. J. Algera, dr. K.F. Proost, mr. J. le Poole, dr. J.C.M. Sweens, G.H.L. Schouten en J. Tuin. De commissie is niet tot een eenstemmig oordeel over verschillende belangrijke kwesties kunnen komen. Met name met betrekking tot de bevoegdheid van de gemeenten om na de keuring door de Centrale Rijkskeuring nog een zelfstandige keuring uit te oefenen stond een rechtse meerderheid van vier leden tegenover een linkse minderheid van drie leden. De kwestie ging niet zo zeer over de autonome bevoegdheid van de gemeenten, dan wel over de regeling, die een aantal gemeenten, met name in het Zuiden, met de Bioscoopbond getroffen hadden om de bioscopen ter plaatse aan de normen van de katholieke filmkeuring te onderwerpen. 

De ministers hebben conform het voorstel van de meerderheid een nieuwe bioscoopwet ingediend, maar het voorlopig verslag van de tweede kamer was zo ongunstig, dat het wetsontwerp na enkele jaren zelfs zonder memorie van antwoord is ingetrokken. Van een enigszins ingrijpende herziening van de bioscoopwet is nooit iets gekomen. Enkele gemeenten, waaronder Nijmegen, zijn nog lang zelfstandig blijven nakeuren. Andere bleven bij de katholieke filmkeuring aangesloten. De commissie is 7 october 1949 ontbonden.


1946-1948 Relaties met minister Gielen

Mijn relaties met minister Gielen zijn in de twee jaren van zijn ministerschap (1946-1948) bijzonder prettig geweest. Hij raadpleegde mij over alle zaken van enig belang en hij wist, dat hij op mijn steun kon rekenen bij zijn pogingen om de chaos op te ruimen, die zijn voorganger in het Departement had achtergelaten.

Vrijwel elke week kwamen wij met dr. Bolkestein een avond samen om de nieuwe wettelijke regelingen voor het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs voor te bereiden. In 1947 bevorderde Gielen mijn benoeming tot voorzitter van de Eerste Afdeling van de Onderwijsraad in de vacature van J.W. Aalders (1870-1945), die nog steeds niet was aangevuld.


1946-1947 Lezingen in Zwitserland

In het najaar van 1946 kreeg ik een uitnodiging om in Zwitserland enige lezingen te komen geven. De uitnodiging was mij bijzonder welkom, omdat zij mij gelegenheid gaf Zwitserland terug te zien en enige noodzakelijke aankopen te doen. Een opdracht om de internationale school Montana te Zugerberg te inspecteren maakte het gemakkelijk een voldoende voorraad deviezen op te doen; de lezingen brachten trouwens ook Zwitserse franken op. Ik hield die lezingen in Jan. 1947 te Basel, Luzern, Zricht en Fribourg en reisde door geheel Zwitserland. Het land leek ons, uit Nederland komende, een waar paradijs. De winkels waren van alles voorzien; alle steden en dorpen waren even goed onderhouden als vóór de oorlog. Kortom : er was geen spoor van de oorlog te bekennen en wij kregen de indruk, dat de Zwitsers weinig idee hadden van wat de oorlog betekend had voor wie hem hadden meegemaakt : dulce bellum inexpertis. Ik werd echter overal met de grootste hartelijkheid ontvangen en keerde, beladen met hetgeen ik had ingekocht, zonder moeilijkheden bij de douane, dank zij mijn diplomatieke pas, naar Nederland terug.

Voordracht in Luzern (losse bijlage)

 

◄▬ 1946 Hoogleraar Leiden ▬►
/**
Powered by Website Baker
*/