| ◄▬ | 1929 Hoogleraar Nijmegen | ▬► |
| 1929 Benoeming tot hoogleraar Nijmegen | Rolduc en Nijmegen |
| 1930 Gecommiteerde eindexamens gymnasia | Pastoor Bernard Janssens |
| 1931 Verhuizing naar Nijmegen |
![]() |
![]() |
1929 Benoeming tot hoogleraar Nijmegen
Op 31 januari 1929 deelde J.Th. Beysens (1864-1945) mij "onder verplichting van de meest volstrekte geheimhouding" mede, dat hij tegen 1 september ontslag gevraagd had als bijzonder hoogleraar vanwege de St.Radboudstichting aan de Rijksuniversiteit te Utrecht en dat hij mij "met drang van redenen" bij de voorzitter, d.i. de aartsbisschop, als zijn opvolger had aanbevolen. Ik stelde dit bewijs van vertrouwen van de leidende figuur in de Katholieke wijsbegeerte in Nederland op hoge prijs, maar wist niet goed wat mij te doen zou staan, wanneer ik voor de keus Nijmegen/Utrecht zou gesteld worden. Gelukkig is dit niet geschied : tot opvolger van Beysens werd benoemd I.J.M. v.d. Berg, die het bijzonder hoogleraarschap tot ergernis van Beysens voorlopig nog moest combineren met zijn taak aan het Seminarie te Rijsenburg en pas na enkele jaren van die taak werd vrijgesteld.
In de loop van de zomer van 1929 kreeg ik de zekerheid, alweer via Hoogveld, dat ik te Nijmegen benoemd zou worden, maar dat ik mijn hoogleraarschap aldaar voorlopig eveneens met mijn taak te Rolduc zou moeten combineren. Er was een opvolger voor mij "in de maak", Rud. Huysmans (1900-1950), maar die studeerde nog theologie (!) te Nijmegen. Mgr. Schrijnen verzekerde mij, dat hij Huysmans twee jaren had gegeven om af te studeren, maar ook niet meer, en dat ik na twee jaren in elk geval van Rolduc vrij zou komen. Begin september 1929 kreeg ik mijn benoeming tot gewoon hoogleraar te Nijmegen, met als leeropdracht : geschiedenis van de wijsbegeerte der Grieken en Romeinen, geschiedenis der paedagogiek, didactiek. De leeropdracht van Sormani was aangevuld om mij een "volledige" dagtaak te verzekeren.
Op 22 october 1929 heb ik in de kleine concertzaal van "De Vereniging" te Nijmegen, die destijds als aula voor de universiteit fungeerde, mijn inaugurale rede gehouden, over "Optimisme en pessimisme in de Griekse wijsbegeerte". Rector Magnificus was P. Bellefroid. Mijn moeder, broers, zuster en schoonzusters woonden de plechtigheid bij. Het inauguratiediner werd gegeven in Hotel Boggia in de Lange Burchtstraat en daaraan werd deelgenomen door mijn familieleden, door de directeur van Rolduc, A. van de Venne, de plebaan van Breda, H. Schrauwen, en de collega's Bellefroid, (als rector magnificus), Hoogveld, Brandsma, van Ginneken en Kors. Schrijnen had wegens de aanwezigheid van Hoogveld de uitnodiging niet aangenomen.
![]() |
![]() |
Twee jaren heb ik dus mijn werk op Rolduc met dat te Nijmegen moeten combineren. Dat op Rolduc was teruggebracht tot elf uren les per week bij de philosophen. Van alle verdere werk, zoals surveillance op de speelplaats en in de eetzaal en assisteren bij Hoogmissen en verdere kerkelijke diensten, was ik ontslagen. Te Nijmegen was mijn opdracht voorlopig beperkt tot de philosophie van de Grieken en de Ro-meinen, waarvoor ik drie uren college per week moest geven. Die uren waren aanvankelijk geplaatst op maandag en dinsdag, zodat ik zondag in de namiddag naar Nijmegen vertrok, gewoonlijk via Duitsland, over Herzogenrath en Krefeld. Ik logeerde dan te Nijmegen in de Stella Maris, waar voor die twee dagen een kamer tot mijn beschikking stond. Later is het gelukt, de drie uren op de dinsdag te concentreren, hetgeen het mij mogelijk maakte, van Rolduc een dag op en neer te gaan. De reis ging dan per tram naar Heerlen, per lokaaltrein naar Sittard en dan per sneltrein Maastricht-Amsterdam via Roermond naar Nijmegen. 's Avonds was ik dan tegen half tien weer op Rolduc terug. De dubbele taak heeft deze twee jaren zeer zwaar gemaakt. Van wetenschappelijk werk is vrijwel niets gekomen : ik had al mijn tijd nodig om mijn colleges en lessen voor te bereiden en het bijkomende werk op de beide plaatsen te verrichten.
1930 Gecommiteerde eindexamens gymnasia
In 1930 werd ik voor het eerst uitgenodigd om als gecommitteerde bij de eind- examens van de gymnasia op te treden. Daarmede is een carrière begonnen, die behoudens enkele onderbrekingen tijdens de oorlog en kort na de bevrijding zich tot na mijn emeritaat heeft voortgezet. Het was een vreemde sensatie, achttien jaar na mijn eigen eindexamen aan de andere kant van de tafel plaats te nemen. Aan de eindexamens heb ik een onverdeeld aangename herinnering overgehouden. Ze hebben mij gelegenheid gegeven tot contact met het onderwijs, openbaar en bijzonder, in alle delen van het land, mij streken van het land laten bezichtigen, waar ik waarschijnlijk anders nooit zou gekomen zijn en relaties met collega's van andere vakken doen aanknopen, waar ik zowel persoonlijk als in wetenschappelijk opzicht veel van geprofiteerd heb.
![]() |
![]() |
Omstreeks de tijd van mijn benoeming te Nijmegen werd mijn collega en vriend Bernard Janssens aangewezen om de stichting van een restoraat, later parochie, te Broekhem bij Valkenburg voor te bereiden en daar een kerk te bouwen. Ik heb hem mogen bijstaan bij de actie tot het werven van geldmiddelen voor het bouwen van de nieuwe kerk en daarenboven hen ik hem, vóór de kerk klaar was, in de kerk van de Duitse Jesuieten te Valkenburg, later in zijn eigen kerk, elk jaar met Kerstmis en Pasen mogen assisteren. Het was voor mij de beste viering van de grote feesten van het kerkelijk jaar. Daags tevoren werd er biecht gehoord en verder deden wij samen de kerkelijke diensten, die in de feestdagen nog genoeg tijd overlieten voor een prettig samenzijn en zelfs voor lange wandelingen in de omgeving van Valkenburg. Vijfentwintig jaren, van 1929 tot 1954, toen hij met emeritaat ging, heb ik de grote feestdagen bij pastoor Janssens doorgebracht, tot 1943 te Broekhem, daarna te Maastricht, waar hij tot pastoor aan de Basiliek van 0.L.Vrouw benoemd was. Dit vriendschappelijk samenzijn behoort tot de beste herinneringen van mijn leven. Ik heb het in de latere jaren steeds weer gemist, wanneer ik de feestdagen thuis of buitenshuis moest door brengen.
![]() |
Het op en neer reizen naar Nijmegen heeft inderdaad, zoals Mgr. Schrijnen mij had toegezegd, niet langer dan twee jaren behoeven te duren. Mijn successor designatus, R. Huysmans, heeft in de loop van het studiejaar 1930-31 zijn doctoraal examen te Nijmegen afgelegd en is daarna nog enige tijd zijn studie gaan voortzetten te Utrecht, in afwachting dat hij na de zomervacantie van 1931 mijn taak op Rolduc zou kunnen overnemen. Daarmee was voor mij de tijd gekomen om definitief naar Nijmegen te verhuizen. De kwestie van de huisvesting leek niet moeilijk. Er stonden in die dagen te Nijmegen talrijke huizen leeg, die geschikt waren voor bewoning door een hoogleraar. De saeculiere priesters onder mijn collega's, zoals Hoogveld, Schrijnen en Bellon, woonden eveneens in zulke huizen. Ik was aan het uitzien om mijn keuze te bepalen en ik had door bemiddeling van pastoor Janssens een voorlopige afspraak gemaakt met een huishoudster, toen mij in de voorzomer van 1931 door de overste van Stella Maris huisvesting in haar pension werd aangeboden. De gelegenheid daartoe ontstond doordat achter het huis een kapel met daaronder enkele kamers gebouwd werd, waardoor de grote kamer aan de voorzijde, die tot dan voorlopig als kapel gediend had, voor bewoning vrijkwam. Ik heb dit aanbod zonder aarzelen aangenomen en kreeg in Stella Maris de juist genoemde voorkamer als studeerkamer en op dezelfde verdieping aan de achterzijde onder de kapel een eetkamer, slaapkamer en logeerkamer. Ik heb hier gewoond van 1 augustus 1931 tot 1 september 1945. Het afscheid van Rolduc was intussen niet gemakkelijk gevallen. Ik heb daar twaalf gelukkige en onbezorgde jaren doorgebracht en het kostte mij veel moeite uit dit heerlijke milieu weg te gaan. Ik vroeg mij echter af, of ik na nog eens twaalf jaren of langer daar te hebben doorgebracht, nog even graag daar zou zijn, en ik nam dus het risico van een onzekere toekomst met vertrouwen op mij.
![]() |
![]() |
| ◄▬ | 1929 Hoogleraar Nijmegen | ▬► |








