◄▬ UNESCO ▬►
Inhoudsopgave deze pagina
1948 3e UNESCO conferentie te Beiruth 1949-1952 UNESCO conferenties
1954 UNESCO conferentie te Montevideo 1958 UNESCO conferentie te Parijs


1948 3e UNESCO conferentie te Beiruth

De UNESCO-conferentie van 1947 te Mexico had na langdurige discussies en nadat eenmaal de stemmen gestaakt hadden, de uitnodiging van de regering van de Libanon aangenomen om in 1948 de volgende algemene conferentie te Beiruth te houden. Zo vertrokken wij begin november 1948 naar het Middenoosten, mijn Utrechtse collega H.R. Kruyt, vergezeld van zijn echtgenote, dr. F. Bender en ik. 

Wij hadden het voorwendsel van enige besprekingen te Rome ter voorbereiding van het cultureel verdrag met Italië gebruikt om vier dagen te Rome te blijven. De besprekingen op het ministerie van buitenlandse zaken in het beroemde Palazzo Chigi waren op een voormiddag afgelopen en de verdere dagen hebben wij besteed om op zo korte termijn nog zoveel mogelijk van Rome te zien. De directeur van het Nederlands Historisch Genootschap, dr. Hoogewerff, bood ons een receptie aan. Wij bleven van de morgen tot de avond op de been om ons toch maar niets te laten ontgaan en wij werden begunstigd door het prachtigste zomerweer, estate di San Martino, zoals dr. Hoogewerff het ons verklaarde. 

's Avonds van de vierde dag vlogen wij weg van Rome naar Damascus, waar wij op een zondagmorgen heel vroeg arriveerden. Wij reisden niet met de KLM, omdat deze ons niet tot Cairo in de lijnvliegtuigen naar Djakarta wilde meenemen, maar met de SAS. Deze had te Damascus een auto gereed staan, die ons naar Beiruth zou brengen : een afstand van 100 km, maar tweemaal over het gebergte, de Anti-Libanon en de Libanon. Toen wij eenmaal op weg waren, braken verschrikkelijke stortregens los, die de chauffeur zo nu en dan noodzaakten stil te houden, vaak vlak aan de rand van de diepe afgronden, waar de weg langs ging. Ook de hairpinroads leverden grote moeilijkheden op. Tengevolge van dat alles kwamen wij eerst na verschillende uren te Beiruth aan. De chauffeur wist echter niet, waar hij ons moest brengen. Ook op het hoofdbureau van politie bleek men niet ingelicht te zijn over de internationale conferentie, die de volgende dag in de stad zou worden geopend. Men verwees ons daar naar een gebouw, dat een Grieks- Katholieke kerk bleek te zijn. Daar wees een geestelijke ons de weg naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat geopend was en waar de chef van het protocol ons op de vriendelijkste wijze ontving. Het was toen half een geworden; ik zag er maar van af, die zondag Mis te lezen. 

De libanese regering had voor elke delegatie per vier personen een auto met chauffeur ter beschikking gesteld. Deze auto stond inderdaad voor ons gereed en wij werden daarmee vervoerd, nog altijd in de stortregen, naar ons hotel te Broemana, een vacantieplaats op 1000 meter hoogte boven Beiruth met prachtig uitzicht over de Middellandse Zee. Vandaar werden wij elke dag door onze chauffeur naar de stad gebracht en hij vervoerde ons ook bij de talrijke excursies, die door de regering van de Libanon ter ere van de vreemde gasten waren georganiseerd. Zo reden wij o.a. naar de indrukwekkende ruïnes van Baalbeck, het Heliopolis van de Romeinen, over een fraaie autoweg, waarlangs de kamelen hun vrachten vervoerden, verder langs de kust van de Middellandse Zee en via de prachtige baai van Dzjounié naar Biblos, waar wij de opgravingen uit de Phoenicische tijd bezichtigden, en naar Saïda, het Sidon van de Bijbel, waar wij het grote kasteel van de Kruisvaarders bezochten, dat daar voor de kust is gelegen. Langs de weg bewonderden wij de prachtige aanplantingen van sinaasappels, mandarijnen en bananen, maar wij constateerden ook met ontzetting, op hoe mensonwaardige wijze de Arabische vluchtelingen uit Israël in kampen waren gehuisvest.

Op 8 december woonden de Katholieke en de Franse deelnemers aan de conferentie een plechtige mis met concelebratie bij in een Grieks-Katholiek klooster in de omgeving van Saïda, gevolgd door een luisterrijke maaltijd, waarbij o.a. een speenvarken werd binnengebracht om vooraf door de abt te worden gezegend. Wij bezochten ook de twee te Beiruth gevestigde universiteiten, de Protestant- Amerikaanse en de Katholieke St.Joseph-universiteit, die geleid wordt door Franse Jesuieten en gelijke rechten heeft met de Franse staatsuniversiteiten. 

Saida (losse bijlagen)

De Nederlandse delegatie werd op zekere dag uitgenodigd op een diner, dat George Bidault ons in de Franse ambassade aanbood. Wij waren daar alleen met hem en zijn vrouw, de ambassadeur en twee leden van de Franse delegatie. Na afloop van het zeer geanimeerde diner vroegen wij ons af, waarom juist wij in de drie of vier dagen van het verblijf van Bidault in de Libanon door hem waren uitgenodigd. 

Op initiatief van de Nederlandse consul, een katholieke Maltees, gehuwd met een Egyptische, brachten wij ook op de laatste zondag van ons verblijf een bezoek bij de Patriarch van de Maronieten in diens buitenverblijf, enkele tientallen kilometers buiten de stad. Aan de ingang van het imposante paleis werden wij opgewacht door geuniformeerde lakeien, die ons naar een zaal brachten, waar de Patriarch audiëntie verleende aan een groot aantal pastoors, die daartoe met vrouw en kinderen uit de bergdorpen naar hem toe waren gekomen. Als vreemdelingen kregen wij plaats op de eerste rij. De Patriarch, gekleed in een lange met bont gevoerde tabbard en vergezeld door de aartsbisscop van Damscus, beide met lange baarden, nam plaats op een verhoog tegenover ons. Een van de pastoors sprak hem toe in het Arabisch, waarop ik meende niet beter te doen dan hem namens de vreemde bezoekers in het Frans toe te spreken. Daarop ontspon zich een aangename conversatie in het Frans. Na de audiëntie gingen wij op initiatief van onze consul nog een bezoek brengen bij een van de suffragaan-bisschoppen, die in hetzelfde paleis woonde. 

Mijn niet-katholieke delegatiegenoten waren zeer onder de indruk van deze bezoeken. Zelf werd ik nog eens uitgenodigd op een lunch in een college van de Maronieten, waarvan wij de rector op een van de vele recepties hadden leren kennen. In de namiddag nam de rector mij in zijn auto mee naar een dorp, hoog in de bergen, waar nog dik sneeuw lag en waar wij eerst een klein kloostertje van Grieks-Katholieke monniken gingen bezoeken en daarna een bezoek brachten bij de ouders van twee van de leerlingen van het college, die de rector voor deze gelegenheid ook had meegenomen. Ik kon daardoor kennis maken met een interieur van welgestelde boeren. De conversatie vlotte echter niet, doordat onze gastheren uitsluitend Arabisch spraken.

Het meest interessant van het verblijf in de Libanon is voor mij geweest de merkwaardige samenleving van een minderheid Mohammedanen met een kleine meerderheid van Christenen, weer verdeeld in orthodoxen en geünieerden en deze laatsten weer in verschillende kerken. Zo waren er te Beiruth twee kardinalen en acht met Rome verbonden aartsbisschoppen, ieder met verschillende suffraganen. Kerken van de Latijnse ritus waren er in de stad en omgeving niet. Zolang wij de Broemana logeerden, las ik mis in een klooster van Franse Zusters, waar men althans over een Latijns missaal beschikte. Later zijn wij verhuisd naar een hotel in de stad, omdat het vervoer te veel moeilijkheden opleverde door de omstandigheid, dat dr. Bender tot voorzitter van de begrotingscommissie benoemd was en dientengevolge dikwijls op andere uren aanwezig moest zijn dan wij. Ik vond toen gelegenheid Mis te lezen in een ziekenhuis, dat door Duitse zusters geleid werd en waar eveneens een Latijns missaal voorhanden was. 

Op de nationale feestdag van Libanon, 22 november 1948, werden Kruyt en ik als voorzitter en onder-voorzitter van de Nederlandse delegatie uitgenodigd op de receptie van de president van de republiek, Sheik Bechara El-Khoury.

Toen wij voor het paleis voorreden, verzocht een officier ons een compagnie van de garde te inspecteren, hetgeen aan de min of meer anti-militairistische socialist Kruyt enige spottende opmerkingen ontlokte.

Na afloop van de conferentie bracht onze chauffeur ons weer naar Damascus, nu met gunstiger weer, en wij waren daar al zo vroeg, dat wij de gelegenheid hadden de stad te bezichtigen, o.a. de grote Moskee met het graf van Johannes de Doper, de karavaan-serails, de "straat, die de rechte genoemd wordt", en verschillende werkplaatsen van goud- en zilversmeden. Wij vertrokken daar in de vroege namiddag en de SAS bracht ons tegen de avond naar Rome. Het was prachtig weer. Wij zagen uit de lucht tegen de punten van de Peloponnesus de witte randen schuim afsteken tegen de blauwe zee. Verder ging de tocht langs de kust van Zuid-Italië, maar het was al donker, toen wij in Rome aankwamen. 

Ik at die avond bij Jan Dijkgraaf en zijn vrouw Sytske Galema. De volgende dag gingen wij met de SAS verder naar Schiphol, maar omdat de mist een tussenlanding in Genève onmogelijk maakte, landden wij in Lyon, hetgeen tot enige vertraging aanleiding gaf.


1949-1952 UNESCO conferenties

In 1949 had de Algemene Conferentie van UNESCO wederom te Parijs plaats. Ditmaal was minister Rutten voorzitter van de delegatie, maar hij bleef slechts enkele dagen, terwijl wij de hele maand uitbleven., en werkten onder leiding van collega Kruyt. Wij logeerden toen en volgende jaren in het hotel Stella, bij de Etoile, niet ver van het gebouw in de Avenue Kléber, waar UNESCO toen tijdelijk gevestigd was. De Conferentie werd als gewoonlijk afgewisseld door talrijke recepties, lunches, diners, gala-voorstellingen in de Opera of in een theater en excursies. 

In 1950 heb ik aan de Algemene Conferentie van UNESCO, die toen te Florence werd gehouden, niet deelgenomen, omdat die juist samenviel met de eindexamens van de gymnasia, die ik niet wilde missen. Ik heb toen mijn latere Leidse collega C.A. van Peursen in mijn plaats laten gaan. 

In 1951 waren wij weer een hele maand te Parijs voor de Conferentie. Besloten werd, voortaan niet meer elk jaar, maar om de twee jaar te vergaderen, maar, om dit te effectueren, moest in 1952 weer vergaderd worden om een begroting voor twee jaren te kunnen aannemen. Zo geschiedde en in 1952 was ik voor de vierde maal een maand in Parijs. 


1954 UNESCO conferentie te Montevideo

De volgende Conferentie had volgens besluit van 1951 in 1954 plaats te Montevideo in Uruguay. Collega Kruyt met zijn vrouw en ik vertrokken 's morgens vroeg van Schiphol en bereikten, na tussenlandingen te Frankfurt en te Lissabon, de volgende morgen vroeg Dakar op de Westkust van Afrika. Het was daar zeer warm. Na een uur oponthoud vertrokken wij om na een vlucht van zeven uren over de Oceaan te Recifi in het noorden van Brazilië aan te komen. Ook daar bevonden wij ons weer in een tropisch gebied, waar de bananen en de sinaasapppelen aan de bomen hingen en de broodbomen beladen waren met vruchten. Het vliegtuig volgde verder de kust van Brazilië naar het zuiden en bracht ons, na een tussenlanding te Rio de Janeiro, tegen de avond te Montevideo, waar wij werden opgewacht door onze ambassadeur, baron van Haersolte met echtgenote en door de heer de Hoog en mejuffrouw Kremer, een stewardess van de KLM, die ons voor de conferentie als secretaresse werd toegevoegd. 

De Conferentie te Montevideo heeft weinig aantrekkelijks voor mij opgeleverd. In deze stad zonder verleden en zonder cultuur is niets bijzonders te zien. Recepties en voorstellingen in de Opera ontbraken niet. De zondagen bracht ik gewoonlijk door in een badplaats in de omgeving, om enigszins te bekomen van de hitte, die in de loop van de maand november bijna ondraaglijk werd. De contacten met de vele gedelegeerden waren als altijd interessant. Toch was ik blij, dat wij weer langs dezelfde route met de KLM naar huis konden gaan. 

In 1956 heb ik niet deelgenomen aan de Conferentie, die toen te New Delhi werd gehouden. Er was aangekondigd, dat de hitte daar nog heviger zou zijn dan te Montevideo en de moed ontbrak mij om mij daaraan nog een maand lang bloot te stellen. Ook ditmaal is collega van Peursen in mijn plaats gegaan.


1958 UNESCO conferentie te Parijs

In 1958 heb ik voor het laatst deelgenomen aan de conferentie van UNESCO, die toen wederom te Parijs werd gehouden. 

Voor mij was de aardigheid er enigszins af, toen mijn collega en vriend Kruyt wegens gevorderde leeftijd ontslag genomen had als lid en voorzitter van de nationale UNESCO-Commissie en geen deel meer uitmaakte van de delegatie. Reeds tijdens de conferentie van 1958 besloot ik, er een punt ach- ter te zetten en kort daarna heb ik ontslag genomen als lid en ondervoorzitter van de nationale UNESCO-Commissie, hetgeen vanzelf meebracht, dat ik niet meer deel zou uitmaken van de delegatie naar de Algemene Conferenties. Met grote voldoening zie ik terug op de conferenties, waaraan ik heb mogen deelnemen. Ik heb er vele mensen ontmoet, van wie ik van alles geleerd heb. Daarbij was er gelegenheid, voortdurend de levende talen, met name Frans en Engels, te oefenen en ook van het Spaans iets meer op te steken dan ik tot dan toe geleerd had. De herinneringen aan de reizen naar Mexico en naar de Libanon en aan het herhaalde langdurige verblijf te Parijs zal mij steeds bijblijven. Toch heb ik zonder leedwezen aan mijn UNESCO-werkzaamheden een eind gemaakt : het was genoeg geweest.

 

◄▬ UNESCO ▬►
/**
Powered by Website Baker
*/