| ◄▬ | 1919 Priester-leraar in Rolduc | ▬► |
| 1919 Priesterwijding | Priester-leraar in Rolduc | Jaarboek Rolduc |
![]() |
| 4 april 1919 Prof.Dr.Ferdinand Leon Rudolph Sassen - Mevr.Wed.Caroline Theodora Constance Sassen-Stams - Mr.Dr.Emile Edmond Egbert Sassen - Mevr. Eveline Victorine Elise Sassen-de Lannoy - Elisabeth Albertine Maria Sassen - Ir Johan Rudof Sassen - Mevr.Maria Sassen-Vonk de Both - Wilhelmina Carolina Clementine Sassen - Dr.Lodewijk Albert Sassen - Dr.Edouard Leon Alphons Dominique Sassen - Maria Bressers |
![]() |
![]() |
Op 5 april 1919 ben ik in de kerk van het seminarie door Mgr. Schrijnen priester gewijd. Mijn moeder, broers en zuster met verschillende andere familieleden waren daarbij tegenwoordig.
De volgende dag, Passiezondag, heb ik mijn Eerste Mis gelezen in de kapel van het klooster der Ursulinen in de Voogdijstraat te Roermond, waar mijn tante Albertine als mère Xavier in 1912 *) was overleden. Ik werd daarbij geassisteerd door mijn vriend Jos Poels († 1959), die benoemd was tot leraar aan het Bisschoppelijk College te Roermond en voor de acte Engels M.O. studeerde.
Op Paasmaandag 21 april deed ik in de parochiekerk van St. Joseph te Breda mijn eerste plechtige Mis, waarbij door onze neef Jan Sassen O.P. **) gepreekt werd.
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
*) Genealogie Sassen
tC1 VIIf-2 Albertine Victoire Edouarde Marie Sassen, geb. Maastricht 30 april 1848, religieuse in de Congregatie der Ursulinen onder de naam: ‘Marie Xavier des cinq Plaies de Notre Seigneur’, overl. Roermond 25 mei 1912.
**) Genealogie Sassen
tB3 VIIIe-2 Dr. Jan Hendrik Hubert Sassen O.P., geb. Venray 1 oct. 1876, phil.doctor, r.k. priester, lid van de Orde der Dominicanen, achtereenvolgens bibliothecaris der Orde te Rome, professor in de kerkgeschiedenis te Zwolle en Utrecht en in de christelijke archeologie te Huissen, overl. (in het klooster aldaar getroffen tijdens een bombardement) Huissen 2 oct. 1944.
Tegen het einde van het -zomertrimester kwamen te Roermond volgens gewoonte de benoemingen uit van de nieuw gewijde priesters, die voor Rolduc of voor een van de Bisschoppelijke Colleges bestemd waren. Mijn klasgenoot G. Janssen († 1963) ging naar het College van Sittard, terwijl ik mijn benoeming kreeg voor Rolduc.
Ik had Rolduc vóór die tijd slechts éénmaal gezien, op bezoek bij mijn vriend Bernard Janssens († 1959), die daar terstond na zijn priesterwijding in de Paasvacantie van 1916 benoemd was. Toen reeds was ik onder de indruk gekomen van het imposante gebouwencomplex en van de sfeer en de traditie, die daar met zoveel zorg bewaard werden.
In de eerste dagen van september 1919 deed ik mijn intrede als priester-leraar. Het eerste contact met de nieuwe omgeving bracht uiteraard enige moeilijkheden mee, maar die werden al spoedig overwonnen.
Reeds in materieel opzicht betekende de overgang naar Rolduc een aanzienlijke verbetering. Er was, door de nabijheid van de Domaniale Mijn, overvloed van kolen, zodat de gemeenschappelijke lokalen en onze zitkamers uitstekend verwarmd waren. Rolduc bezat in die dagen een eigen gasfabriek, die ons in overvloed licht leverde.
Mijn eerste bezigheden op Rolduc bestonden in surveillance, om de andere dag 's morgens om half zes aan de bedden van de jongens, daarenboven eens per week de Mis van 5 uur voor de zusters, vervolgens toezicht op de speelplaats en in de studiezalen.
Daarbij werd ik belast met het onderwijs in de geschiedenis van de philosophie bij de philosophen, later uitgebreid met dat in de kerkgeschiedenis en in 1928 met enkele onderdelen van de systematische philosophie. Daarenboven heb ik op de lagere klassen nog les gegeven in geschiedenis en Grieks.
![]() |
Tijdens het schooljaar 1920-1921 kwam bij mijn collega L. Linssen en mij de gedachte op om op voorbeeld van dat van het Canisius-College te Nijmegen ook een jaarboek van Rolduc op te richten. Het kwam ons voor dat Rolduc met zijn verleden van meer dan acht eeuwen ook zijn jaarboek behoorde te hebben, bestemd voor leerlingen en oud-leerlingen, waarin niet enkel de herinnering aan dat verleden levend zou worden gehouden, maar ook het actuele gebeuren voor de geschiedenis bewaard zou blijven.
Wij wilden de lezers, die wij voor het jaarboek hoopten te winnen, het beeld voor ogen stellen van hetgeen de inrichting, waar zij hun opleiding ontvangen hadden of nog ontvingen, voor het Nederlandse cultuurleven en meer in het bijzonder voor de Katholieke herleving in Nederland had betekend, en hen wijzen op de rol, die het derde Rolduc, naar wij toen meenden te mogen hopen, nog lang in ons land te vervullen zou hebben. Maar vooral lag ons de gedachte aan het hart, door het jaarboek bij de leerlingen het besef en de waardering aan te kweken van de uitzonderlijke en onvervangbare betekenis van Rolduc voor hun godsdienstige, verstandelijke, culturele en aesthetische vorming.
De tijd voor het opzetten van een jaarboek leek in 1921 gunstig. De eerste we- reldoorlog met zijn vele moeilijkheden, ook voor de landen, die er niet rechtstreeks bij betrokken waren, was voorbij. Wij leefden in de illusie van een "eeuwige vrede", die door de Volkenbond zou worden verzekerd. Ons land zag een niuwe welvaart in een nabij verschiet. Ook het derde Rolduc bleek een tijdperk van nieuwe bloei tegemoet te gaan. De verhoging van de subsidie uit 's Rijks kas gaf het bestuur ruimer armslag dan ooit tevoren. De plannen voor inwendige vernieuwing, modernisering van de inrichting en uitbreiding van de gebouwen begonnen te rijpen. Rolduc zou met zijn philosophie, zijn gymnasium, zijn hogere-burger-school, zijn hogere-handelsschool en zijn voorbereidende klas zijn plaats als eerste en oudste van 's lands Katholieke instellingen van voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs weten te handhaven.
Verschillende van onze oudere collega's stonden echter tegenover het plan tot uitgave van een jaarboek enigszins sceptisch. Het leek hun een uiting van jeugdig idealisme, dat niet voldoende rekening hield met de reële moeilijkheden die zulk een uitgave noodzakelijk mee zou brengen. Ook directeur A. van de Venne (1874-1941), die directeur A. Geurts (1865-1933) per 1 januari 1920 was opgevolgd, was niet zonder moeite voor onze plannen te winnen. De directeur was bezield met een grenzeloze liefde voor de instelling, waar hij toen reeds het grootste deel van zijn leven had doorgebracht, en met een onbeperkte toewijding aan de glorieuze traditie en de actuele reputatie van het derde Rolduc. Hij was echter even zuinig op de kas van het huis als royaal met zijn eigen beurs, wanneer het uitgaven ten behoeve van anderen betrof en hij stelde als voorwaarde, dat het jaarboek zich zelf zou moeten bedruipen. Wel was hij bereid, het huis een subsidie te laten verlenen voor het opnemen van de gegevens der prijsuitdeling, die tot dan toe elk jaar op kosten van Rolduc in een afzonderlijke brochure werden gepubliceerd.
Maar nu deed zich een nieuwe moeilijkheid voor. Krachtens een gebruik van bijna een eeuw oud was de prijsuitdeling steeds in het Frans gehouden en in de desbetreffende brochure kwam ook in 1920 nog geen woord Nederlands voor. Wij vonden dat het niet aanging, in het jaarboek dit gebruik te continueren en stelden dus voor, ook voor de prijsuitdeling definitief op de eigen landstaal over te gaan. Maar hoewel het Frans reeds sinds 1 decennium als verplichte omgangstaal uit Rolduc was verdwenen en nog slechts in enkele benamingen, zoals die van de vergrijpen tegen de huisorde en de daaraan verbonden "grande ou petite salle de punition" voortleefde, konden wij van de directeur eerst na lang praten de toestemming krijgen, om de lijst van de prijzen voor de verschillende vakken in het Nederlands in het jaarboek af te drukken. Wat wij van de plechtigheid zelf zouden maken, moesten wij maar weten. Als redacteuren van het jaarboek werden wij ex officio met de regeling daarvan belast.
Wij durfden het aan, met een "usage antique et solennel" te breken. Zo is het gebeurd, dat in 1921 voor het eerst in de geschiedenis van Rolduc de prijzen in het Nederlands zijn afgeroepen. Negen jaren hebben wij samen de redactie van het jaarboek gevoerd. Met zijn rijke en gevarieerde inhoud, waar zoveel voortreffelijke schrijvers in de loop der jaren toe hebben bijgedragen, is het een veel belangrijker publicatie geworden, dan wij in 1921 durfden en konden verwachten.
◄▬ |
1919 Priester-leraar in Rolduc | ▬► |







