◄▬ Zestiger jaren ▬►
Inhoudsopgave deze pagina
1960 Commissie inzake het onderwijs aan de KMA 1960 Theologische faculteiten
1963 Kerkelijke kweekscholen en seminaria 1963 Zuster Clementine overleden


1960 Commissie inzake het onderwijs aan de KMA

Dit had enkele jaren later tot gevolg, dat door de toenmalige minister van defensie in 1960 opnieuw een commissie werd ingesteld inzake het onderwijs aan de KMA. Deze commissie stond onder voorzitterschap van Gen.majoor A.V. van den Wall Bake; leden waren kolonel P.A. Cox, commodore G.H. Gijbels, prof.dr. J.P. Kruyt, prof.dr. K. Posthumus, brigade-generaal W.C.H. van Reede, prof.dr. J. Waterink en ik. 

Op 8 augustus 1960 en 8 november 1960 werden rapporten uitgebracht. Op grond van deze rapporten werd het onderwijs aan de KMA grondig gereorganiseerd en op wetenschappelijke basis gebracht.

Bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling van het onderwijs kregen de leden van de commissie van advies op de diës van de KMA in 1961 de gouden medaille van de KMA toegekend. 

Tevens werd bij Koninklijk Besluit een curatorium ingesteld, waarvan met een aantal opperofficieren en met de burgemeester van Breda, mr. R. Geuljans, vier burger-hoogleraren deel uitmaakten, n.l. prof.dr. J.P. Kruyt, prof.dr. K. Posthumus, prof.dr. J. Waterink en ik. Curatoren van de KMA hebben sindsdien vele tientallen malen vergaderd, meestal in het hoofdkwartier van de Koninklijke Landmacht, in de Prinses Julianakazerne, Den Haag, soms in de KMA te Breda, enkele malen in het Paleis Soestdijk, waar Prins Bernhard als voorzitter van curatoren ons ontving. De Prins woonde niet alle vergaderingen van het curatorium bij, maar wanneer hij aanwezig was, leidde hij op voortreffelijke wijze en met grote kennis van zaken de besprekingen. 

KMA noenmaal in Paleis Soestdijk (losse bijlage)

Er zijn in de jaren na 1961 talrijke belangrijke vraagstukken aan de orde gekomen, die met de uitvoering van de reorganisatieplannen in verband stonden. Militairen en burgers moesten aanvankelijk aan elkaars gedachtenwereld wennen, maar op den duur ontstond er een zodanig wederzijds begrip, dat de besluiten steeds met opvallende eenstemmigheid konden worden genomen. 

Ook woonden wij als curatoren geregeld de viering van de diës en andere plechtigheden, zoals opening van nieuwe gebouwen, inaugurale redes en eerste openbare lessen aan de KMA bij. De verhoudingen met de hoge militairen waren ook in het particuliere vlak bijzonder aangenaam. 

 

Wij konden nog meemaken, dat de resultaten van de reorganisatie bevredigend waren en van de zijde van de militairen stond men zeer open voor de desiderata, die wij vanuit het wetenschappelijk onderwijs ook voor de opleiding van de cadetten koesterden. Zo kregen wij al spoedig gedaan, dat voor de tweede- en ouderjaars cadetten een afzonderlijk gebouw werd opgetrokken, het Prins Bernhard Paviljoen, waar voor iedere cadet een eigen slaap- en studeerkamer met alle comfort ter beschikking was gesteld. Ook verrezen nieuwe gebouwen met een ultra moderne installatie voor het onderwijs in de technische vakken. 
In 1966 hadden wij voor het eerst contact met het curatorium van het KIM, waarvoor Prins Bernhard ons tot een vergadering op het Paleis Soestdijk uitnodigde.


1960 Theologische faculteiten

Toen in 1947 de bijzondere universiteiten en hogescholen voor het eerst subsidie uit s'Rijks kas ontvingen, waren de theologische faculteiten met opzet buiten de subsidiëring gelaten. Dat was vooral geschied op aandrang van de Vrije Universiteit, waar men de theologische faculteit zó als een aangelegenheid van de kerk beschouwde, dat zelfs subsidiëring daarvoor door de staat afgewezen moest worden. De financiële moeilijkheden, waarin de bijzondere universiteiten door de uitbreiding van het aantal faculteiten ondanks de subsidiëring waren geraakt, noopten echter na enige jaren tot een herziening van dit standpunt.

In 1960 heeft de Tweede Kamer bij de behandeling van het ontwerp van wet op het wetenschappelijk onderwijs een gewijzigde motie van orde aanvaard, luidende : "De Kamer, gehoord de besprekingen over de mogelijkheid van subsidiëring van theologische faculteiten aan bijzondere universiteiten, in principe aanvaardende, dat de subsidiëring van zodanige faculteiten mogelijk behoort te zijn, nodigt de minister uit zo spoedig mogelijk een wettelijke regeling voor te bereiden". Daarop benoemde minister Cals op 7 januari 1961 een commissie, welke tot taak zou hebben voorstellen te doen betreffende subsidiëring van theologische faculteiten aan bijzondere universiteiten. Voorzitter werd : mr. H.K. s'Jacob, leden dr. H.W. Obbink, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, en ik, beide in persoonlijke kwaliteit, en verder namens directeuren der Vereniging voor Hoger Onderwijs op Gereformeerde Grondslag : dr. J. Schouten en mr.dr.J. Donner; namens de St. Radboud- stichting : prof.dr. R.R. Post en prof. dr. W.K.M. Grossouw. 

De commissie heeft slechts twee keer vergaderd. In de eerste vergadering werd aan de heer Donner en mij opgedragen een ontwerp te maken voor de desbetreffende wetswijziging en in de tweede vergadering werd dit ontwerp met enige wijzigingen aanvaard. De commissie heeft op 27 mei 1961 aan de minister verslag uitgebracht en een ontwerp van wet aangeboden.

Dit ontwerp is vrijwel ongewijzigd door de Staten-Generaal aanvaard, waardoor de theologische faculteiten tegelijk met de andere faculteiten van de bijzondere universiteiten uit s'Rijks kas werden gesubsidiëerd. Toen deze bepalingen in werking traden, bedroeg het percentage voor de subsidiëring voor investering en exploitatie van de bijzondere universiteiten en hogescholen 95%. Het opbrengen van de resterende 5% bleek echter nog zulke moeilijkheden voor de besturen op te leveren, dat reeds spoedig onderhandelingen met de regering werden geopend tot verdere uitbreiding van financiële steun uit s'Rijks kas. Dit leidde in het voorjaar van 1966 tot een wetswijziging, waarbij de subsidiëring zowel voor investering als voor exploitatie gebracht werd op 98½ %.


1963 Kerkelijke kweekscholen en seminaria

De Wet op het wetenschappelijk onderwijs is op 1 januari 1961 in werking getreden. Daarin was onder de overgangsbepalingen een artikel XIII opgenomen, luidend : 

"De bij de inwerkingtreding van de hoger onderwijswet 1876 bestaande kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leraren voor enig kerkgenootschap of kwekelingen voor de geestelijke stand blijven, zolang zij bestaan, in het genot der subsidies, beurzen, toelagen en verdere ondersteuningen uit s'rijks kas, door hen op dat tijdstip genoten". 

Tot de hier bedoelde seminaria behoren ook de vijf bisschoppelijke groot seminaria. De bedragen die hier bedoelde instellingen van onderwijs uit s'rijks kas als subsidie of ondersteuning genoten, waren echter sinds 1876 ongewijzigd gebleven. De vijf seminaria ontvingen jaarlijks samen een bedrag van niet meer dan f 13.580,-. 

Toen nu in 1963 het ontwerp van wet in behandeling kwam, waarbij ook de theologische faculteiten van de twee bijzondere universiteiten voor subsidie uit s'rijks kas in aanmerking werden gebracht, nam de Tweede Kamer zonder hoofdelijke stemming op 11 april 1963 een motie van orde aan, welke de regering uitnodigde, "de toelagen, bedoeld in artikel XIII van de wet op het wetenschappelijk onderwijs op korte termijn aan te passen aan de huidige omstandigheden". 

Ten gevolge daarvan benoemde de minister van onderwijs op 31 mei 1963 een commissie, bestaande uit mr. H.L. s'Jacob, mr. M. Tellegen en mij, om hem over de wijze van uitvoering van deze motie van advies te dienen. 

De commissie heeft op 7 december 1964 advies uitgebracht en de regering heeft gemeend, dit advies te moeten volgen, met dien verstande, dat voor het jaar 1964 met een vermenigvuldigingsfactor zeven en voor 1965 en volgende jaren met een vermenigvuldigingsfactor acht rekening diende te worden gehouden. Indien de noodzaak daartoe zich mocht voordoen, zal vooruitlopende op de te treffen definitieve wettelijke voorzieningen een verdere aanpassing aan stijgingen van salaris- en prijspeil plaats vinden.

In de ontwerp-begroting voor 1966 is reeds met de bovengenoemde vermenigvuldigingsfactor acht rekening gehouden. Het lag tevens in het voornemen, voor de jaren 1964 en 1965 deze begrotingspost overeenkomstig het bovenstaande suppletoir te verhogen.

De commissie had, op grond van berekeningen over de geldontwaarding een vermenigvuldigingsfactor van twaalf voorgesteld, maar daar is de regering niet op ingegaan. Een definitieve regeling wordt verwacht van het rapport van de commissie- van Walsum.


1963 Zuster Clementine overleden

Mijn zuster Clementine, geboren 20 maart 1878, is op 10 februari 1963 te Oudenbosch overleden. Zij had in 1945, toen wij uit Nijmegen moesten verstrekken, een eerste onderkomen gevonden bij de familie H. van Son-Stams te Oudenbosch, maar na enkele maanden kon zij twee kamers betrekken in het St. Elisabeths-pension aldaar. Zij heeft daar moeilijke jaren gehad. De materiële omstandigheden van behuizing, verwarming, voeding en verzorging waren niet ongunstig, maar belangrijk minder van qualiteit dan zij te Nijmegen gewoon was geweest. De eenzaamheid en de bijna voortdurende onaangenaamheden met de verzorgende zusters hebben haar zeer gedrukt. Zij heeft echter het een en ander met gelatenheid gedragen. In de eerste jaren was zij nog valide genoeg om geregeld uit te gaan, ook per fiets, zelfs tot Breda, maar later was zij, hoewel nog behoorlijk goed ter been, aan haar naaste omgeving gebonden. Ook de bezoeken aan Den Haag moesten worden gestaakt. 

In augustus 1962 brak zij door een val in haar kamer haar heupbeen. Zij werd in het ziekenhuis te Oudenbosch opgenomen en is daar geopereerd. Deze operatie is zover gelukt, dat zij na enkele maanden weer kon staan en lopen. Het was echter voor haar lichamelijke en geestelijke krachten teveel geweest. Ten slotte is zij aan verval van krachten gestorven. Haar kamers had zij niet meer teruggezien. Zij is in het graf van onze ouders te Breda begraven. Uitvaart en begrafenis hebben ingevolge haar verlangen in stilte plaats gehad. De beaarding heb ik zelf verricht, slechts in tegenwoordigheid van mijn neef Ferd.

Genealogie Sassen
tC1 VIIIg-2 . Wihelmine Caroline Clementine Sassen, geb. Utrecht 20 maart 1878, membre honoraire de 1'Hospitalité de Notre Dame de Lourdes, begiftigd met het gouden kruis Pro Ecclesia et Pontifice van de H. Stoel, overl. Oudenbosch 10 febr. 1963.

 

◄▬ Zestiger jaren ▬►
/**
Powered by Website Baker
*/