| ◄▬ | De bezettingsjaren | ▬► |
“10 mei 1940 : DUITSLAND VERKRACHT ONS VADERLAND.”
Tegen 4 uur in de morgen werden wij wakker door het geluid van vliegtuigen en afweergeschut. De bewoners van Stella Maris gaven zich er spoedig rekenschap van, dat de oorlog voor ons was uitgebroken. Ik gaf last, alle ramen in het huis open te zetten met het oog op de hevige ontploffingen, die verwacht konden worden. Inderdaad hoorden wij spoedig met groot geweld de twee bruggen over de Waal, waarvan de verkeersbrug eerst in 1936 geopend was, in de lucht vliegen. Ook zagen wij de grote eskaders Duitse vliegtuigen in westelijke richting over ons heen gaan en wij zagen toen reeds dat er enkele neergeschoten werden. Ongeveer een uur later verschenen de eerste Duitse tanks op het Keizer Karelplein : geweldige oorlogsmonsters, die ons op dat moment meer verbazing dan schrik inboezemden, te meer omdat er in onze nabijheid niet gevochten werd. Ik ging onmiddellijk door de verlaten straten naar de Wilhelminasingel om te zien, wat ik in deze omstandigheden voor Hilda (Aukes) kon doen, maar ik vernam dat zij bij het eerste alarm per fiets vertrokken was om te trachten Helmond te bereiken. Het bleek al spoedig dat hier geen denken meer aan was, aangezien ook de brug over het kanaal op de Graafse weg was opgeblazen. Zij kwam dan ook binnen een uur weer terug en is de eerste dagen in de Stella Maris gebleven.
Die dag werd er aan de Waal nog geschoten en wij hoorden van verre het geweervuur. Het was vrijdag vóór Pinksteren. Op die middag zou de gemeentelijke bioscoopcommissie haar werk in de vijf bioscopen moeten verrichten, maar wij vernamen, dat de invallers die commissie toen al hadden opgeheven : zo goed was de inval voorbereid. Op Pinksterdag moesten alle jonge mannen van de stad zich in de kazerne aan de Groesbeekseweg bij de bezetters komen melden. Wij vroegen ons in spanning af, wat er met hen zou gebeuren, maar het liep met een sisser af : na registratie werden zij allen weer losgelaten. Daarenboven werden reeds die eerste dagen mannen gerequireerd om aan de schuilkelders te komen werken, die niet naar de zin van de Duitsers waren. Zo zijn voor ons te Nijmegen de zware jaren van de Duitse bezetting begonnen.
Dwangmaatregelen van de bezetter
De eindexamens zouden dat jaar gewoon doorgaan. Ik was aangewezen voor enkele scholen in het Noorden van het land, o.a. te Leeuwarden en te Sneek, maar de vraag was, hoe die plaatsen bereikt konden worden, aangezien de meeste spoorbruggen in het land vernield waren. Van Nijmegen ging eerst de reis met de pont, die gelukkig nog bewaard gebleven was, over de Waal naar Lent; vandaar te voet naar de voormalige halte Lent, waar een stoomtrein achteruit rijdende uit Elst arriveerde (te Lent was geen plaats om te rangeren). Die trein ging dan via Vork naar Geldermalsen en vandaar naar Utrecht. Het was mogelijk van Utrecht per trein Enkhuizen te bereiken en vandaar voerde de boot ons naar Stavoren en vervolgens de trein naar Leeuwarden. Te Sneek vernamen wij op 29 juni, dat op die dag, verjaardag van Prins Bernhard, in Den Haag manifestaties hadden plaats gehad, waarop burgemeester de Monchy als eerste van de Nederlandse burgemeesters door de bezetter was afgezet en de generaals Winkelman, gebroeders van Voorst tot Voorst en van Lawick naar Duitsland waren weggevoerd. Het was nog maar het eerste begin van de talloze dwangmaatregelen van de bezetter.
Ik kreeg in Leeuwarden een telegram van mijn zuster om te vragen, hoe ik het maakte. Eerst bij thuiskomst begreep ik wat dat betekende ; ik vernam toen n.l. dat de collega's Brom, Dagens, Doyle Davidson, Hoogveld, Mulders en Regout waren gevangen genomen en in verschillende gevangenissen waren opgesloten. Brom, Mulders en de Fransman Dagens zijn na ongeveer 6 weken losgelaten. Hoogveld is tot vlak vóór Kerstmis 1940 opgesloten gebleven in de gevangenis te Emmerik, de Engelsman Doyle Davidson is pas na de bevrijding in goede welstand in ons midden teruggekeerd, maar Regout is na een marteltocht door verschillende gevangenissen en concentratiekampen omgekomen.
Bij het begin van het nieuwe academisch jaar werden de universitaire werkzaamheden gewoon hervat. De colleges van Hoogveld werden door Brandsma en mij overgenomen. Het aantal studenten was normaal toegenomen. Het scheen, alsof de universiteit verder geen last zou ondervinden. Intussen werden herhaaldelijk huiszoekingen bij verschillende professoren gedaan, gewoonlijk met het oogmerk van ordinaire diefstal. Zo werden bij Hoogveld tijdens zijn afwezigheid een aantal bronzen en zilveren gedenkpenningen en het dodenmasker van Schaepman meegenomen alsmede een aantal van de mooist ingebonden boeken. Ook uit de universiteitsbibliotheek werden op die manier boeken gestolen en voor de zekerheid werd de bibliothecaris, dr. K. Smits, ook maar gevangen gezet. Ook namen de bandieten uit de bibliotheek de grammofoonplaten mee, waarop de stemmen van de hoogleraren waren vastgelegd.
Van dag tot dag nam de spanning toe en wij vroegen ons voortdurend af, wat de Duitse bezetters met de katholieke universiteit zouden doen. In 1942 werd het hoofdgebouw aan het Keizer Karelplein in beslag genomen en ontruimd, kort daarvoor ook het aula-gebouw aan de Wilhelminasingel. In het eerste werden kantoren van de bezetters gevestigd, in het tweede werd de Hoge Raad ondergebracht, die van Den Haag naar Nijmegen was verbannen; de griffie van de Hoge Raad werd gevestigd in het huis van mevrouw Terwindt, hoek Keizer Karelplein-Nassausingel. De inbeslagnemingen en ontruimingen van de Nijmeegse kloosters waren begonnen met die van het Albertinum; daarna volgde die van de Nebo en verschillende andere.
In het voorjaar van 1942 werd het Canisiuscollege in beslag genomen. Ik vernam dit eerst, doordat onze neef Maarten van Son, toen interne leerling van de vijfde Gym, op een morgen met twee koffers bij mij aankwam om te vragen of hij bij mij onderdak kon krijgen. De paters hadden de jongens aangespoord om zoveel mogelijk zelf een tehuis te vinden; voor degenen, die dat niet klaar kregen, zouden zij zorgen; deze laatsten werden ondergebracht in een parochiehuis van de St.Josephkerk in de Burchhard v.d. Bergstraat. Voor de school werd een onderdak gevonden in het internaat van de Protestantse kweekschool De Klokkenberg aan de Ubbergse Veldweg. Na overleg met de overste van Stella Maris bleek het inderdaad mogelijk, Maarten van Son bij ons in huis onder te brengen, en van die dag af tot zijn eindexamen in 1943 is hij bij ons gebleven. Aan dat verblijf heb ik geen andere dan aangename herinneringen, het bleek een welopgevoede, opgewekte, plichtsgetrouwe, ijverige en godsdienstige jongen te zijn. Ik heb hem natuurlijk de nodige vrijheid gelaten en hij heeft daar altijd een goed gebruik van gemaakt. Het speet mij zeer, toen hij in 1943 na een uitstekend eindexamen, waarbij ikzelf met mijn collega en vriend H.R. Kruyt († 1959) als gecommitteerde fungeerde, ons voorgoed verliet. Van studeren was voor hem voorlopig geen sprake. De eis van ondertekening van de loyaliteitsverklaring had het studeren voor iedere weldenkende Nederlander onmogelijk gemaakt. Hij heeft zich een jaar onledig moeten houden met enige privé-studie in natuur- en scheikunde en is in 1944 aan de Tijdelijke Academie te Eindhoven met zijn medische studie kunnen beginnen, die hij na het afleggen van het eerste deel candidaatsexamen in 1945 te Amsterdam is gaan voortzetten.
De situatie te Nijmegen was intussen in vele opzichten moeilijk geworden. De distributie van levensmiddelen en andere noodzakelijke behoeften werd met de dag kariger. De verduistering belemmerde vooral in maanloze dagen het contact met collega's en vrienden in de avonduren. De club "Alcuin", bestaande uit een aantal hoogleraren met historische belangstelling, kwam voortaan alleen op dagen van volle maan bijeen. De stoffelijke beperkingen zonken echter in het niet bij de geestelijke onderdrukking en de gesystematiseerde leugen, waaraan de bezetters ons blootstelden. De vergiftiging van de publieke opinie door pers en propaganda heeft gelukkig ons volk niet zodanig aangetast, dat het voor de verleiding van het nazidom bezweken is, maar de ergernis over de voortgezette geestelijke dwang van de zijde van de overweldigers heeft ons het leven in die dagen uiterst moeilijk gemaakt.
Reeds in september 1940 waren een groot aantal vooraanstaande Nederlanders als gijzelaars weggevoerd naar Buchenwald. Toen daar enkele van hen overleden waren, onder wie de oud-ministers Goseling en Verschuur en de opperstalmeester van de Koningin, Jhr. Verheyen, werden deze gijzelaars overgebracht naar het groot seminarie te Haaren, dat tot dat doel ontruimd werd en dat verder tot gevangenis voor een groot aantal anderen gediend heeft. Van daar uit is ook een aantal gevangenen weggevoerd en gefusilleerd.
Op 4 mei 1942 ging ik naar de begrafenis van onze nicht Adèle van Mierlo-Sassen te Breda en ik vernam reeds onderweg in de trein, dat die morgen een groot aantal gijzelaars was opgepikt, o.a. onze neef Emmanuel Sassen, die zich eveneens gereed maakte naar dezelfde begrafenis te gaan, en Teun Struycken. Ik ging die middag na de begrafenis te Breda Thea Struycken opzoeken, die natuurlijk in grote zorg zat over hetgeen met haar man zou gebeuren.
Thuiskomende vernam ik, dat er 's morgens na mijn vertrek ook een agent van de Gestapo gekomen was om mij op te halen. Hij zou de volgende dag terugkomen. Ik durfde niet meer onder te duiken, omdat ik voor het huis waar ik woonde en de inwoners het risico van de gevolgen daarvan niet op mij wilde nemen, en wachtte dus af. De volgende morgen verscheen hetzelfde individu, doorzocht alle laden en kasten van mijn kamer, nam alleen enige brieven mee, die ik onlangs ontvangen had van professor de Sopper te Leiden, wiens opvolger ik vier jaar later zou worden, en beval mij met het nodige voor nachtverblijf mee te gaan. Eerst werd ik door hem in een auto gebracht naar het politiebureau te Nijmegen, toen nog gevestigd aan het Kelfkensbos, maar nog vóór de middag ging ik onder geleide van een politie-agent per trein naar Arnhem, waar ik werd opgesloten in het huis van bewaring. Vandaar ging het in de namiddag naar het bureau van de Gestapo te Arnhem, aan de weg naar Oosterbeek. Daar ontmoette ik mr. Bakhuis Roozeboom, hoofdambtenaar van de gemeente Amsterdam, die eerst twee dagen tevoren uit het concentratiekamp te Amersfoort was losgelaten, waar hij de vreselijke winter '41-'42 had doorgemaakt, en die nu opnieuw was opgepakt. Wij werden in een vrachtauto met vijf gewapende lieden geplaatst en de angst van mijn metgezel, dat wij weer naar Amersfoort zouden gaan, verdween, toen wij in Arhem de Rijn overgingen en in Nijmegen de Waal. Op de markt in Den Bosch vroeg de chauffeur de weg naar St.Michielsgestel waardoor wij te weten kwamen, wat onze bestemming was.
Bij aankomst in het klein seminarie Beekvliet vonden wij daar de ongeveer 300 gijzelaars, die de vorige dag waren opgepakt, en onder hen zeer vele bekenden, hoogleraren, burgemeesters, ambtenaren, geestelijken van allerlei confessie, meest intellectuelen, met een enkele uitzondering, bv. een postbode in uniform. De legering was gedeeltelijk in de chambrettes van de leerlingen, gedeeltelijk in klassen.
Op de slaapzalen van de kleinere leerlingen waren twee chambretten tot één gemaakt en daarin twee bedden boven elkaar geplaatst; in de klassen stonden acht tot twaalf bedden, ook telkens met twee boven elkaar. De wasgelegenheid was aan de lavoirs van de leerlingen en in enkele badkamers. Gegeten werd in de eetzaal van de leerlingen van het klein-seminarie. Het eten werd aangedragen door twee gijzelaars, beiden burgemeesters. Reeds in de eerste dagen werd een program van lezingen, cursussen, sport en spel georganiseerd om de gijzelaars bezig te houden. De voornaamste organisator van dit program, mr. R. Baelde, was een van degenen, die op 15 augustus 1942 in de bossen bij Goirle zijn gefusilleerd. Het program werd geopend met een rede van Anton van Duinkerken over "Brabantse humor". s Morgens voor het ontbijt werden er gymnastiekoefeningen op de speelplaats gehouden, onder leiding van prof. Schermerhorn, de latere minister-president. 's Avonds werden in de aula achtereenvolgens een katholieke en een protestantse godsdienstoefening gehouden. De kapel van het seminarie was gesloten.
Enkele dagen na onze aankomst werd het bericht verspreid, dat binnenkort ook de z.g. Indische gijzelaars, die in het groot-seminarie te Haaren gevangen zaten, naar Beekvliet zouden worden overgebracht, en inderdaad verschenen op een middag een aantal vrachtauto's, waarop deze gijzelaars waren samengepakt met hun bagage, die zij in de loop van hun gevangenschap (sinds 1940) hadden verzameld : koffers, stoelen, vogelkooien, grammofoons, zelfs een harmonium en een piano. Het was een weerzien van vele bekenden en de nieuw aangekomenen waren al zo lang met het gijzelaarsleven vertrouwd, dat zij ons ook ten aanzien van onze verhouding tot de bewakers van alles konden leren. De stemming, die in de eerste dagen uiteraard gedrukt was, werd door de opgewektheid van de nieuw-aangekomenen aanmerkelijk beter. Intussen werd elke dag een aantal gijzelaars vrijgelaten.
Op 12 mei 1942 was ik, geheel onverwacht, aan de beurt. Waarschijnlijk heb ik deze vrijlating te danken aan de energieke tussenkomst van prof. R.H. Woltjer († 1955), voorzitter van de Onderwijsraad, bij de secretaris-generaal van het departement van onderwijs, van Dam. Ik kreeg aanzegging binnen een half uur te vertrekken, pakte mijn bagage bijeen en werd met de heer Rustige, wethouder van Amsterdam, in een bestelautootje van de P.T.T. geladen, dat ons aan het station 's Hertogenbosch afzette, vanwaar ik per trein naar huis kon reizen. De meeste van mijn lotgenoten, verminderd met de gefusilleerden en de vrijgelatenen, maar vermeerderd door herhaalde nieuwe arrestaties, zijn tot december 1943 gevangen gebleven.
Zo spoedig mogelijk na thuiskomst heb ik mijn colleges hervat.
Mijn collega Titus Brandsma was in januari 1942 gevangen genomen en is, na de winter in de gevangenis te Scheveningen en het concentratiekamp te Amersfoort te hebben doorgebracht, in juli 1942 onder de folteringen van de Duitse beulen in het concentratiekamp van Dachau bezweken.
Collega Hoogveld is op 23 juli 1942 in zijn huis te Nijmegen onverwacht overleden. De faculteit besloot maatregelen te nemen om in de afwezigheid van de twee collega's te voorzien, en in haar opdracht ging ik nog op de dag van de begrafenis van Hoogveld naar professor P. Hoenen S.J. (1880-1961), hoogleraar aan de Gregoriana te Rome, die al sinds het begin van de oorlog in Nijmegen verbleef, met zijn confraters uit het Berchmanianum was gezet en was ondergebracht bij notaris van Schuylenburch. Hij was bereid, eventueel een aantalcolleges wijsbegeerte op zich te nemen, maar in feite is daar niets van gekomen.
Intussen moest de faculteit zich beraden op de vacatures van Hoogveld en Brandsma. De St. Radboudstichting wilde tijdens de bezetting geen benoemingen doen, ten einde mogelijke inmenging van de bezettende macht te voorkomen, maar alles moest gereed zijn om de benoemingen na de oorlog zo spoedig mogelijk tot stand te kunnen doen komen. Zo stelde de faculteit als opvolgers van Hoogveld en Brandsma voor, maar met enigszins gewijzigde leeropdrachten : pater Angelinus O.Cap. en dr. A.G.M. van Melsen. Deze aanbeveling werd door curatoren overgenomen en door het bestuur aanvaard. Beiden kregen aanzegging, zich voor een benoeming terstond na de bevrijding gereed te houden. Pater Angelinus is echter kort na de bevrijding, in het najaar van 1944 door een landmijn in de tuin van zijn klooster te Udenhout om het leven gekomen. Van Melsen is na de oorlog benoemd en naast hem kwam dr. J. Peters C.S.S.R. (1909-1961).
1943 Sluiting van de universiteit
Na de zomervacantie van 1942 was ik dus van de hoogleraren in de wijsbegeerte als enige overgebleven. Mijn toekomstige leeropdracht zou luiden : inleiding tot de wijsbegeerte en geschiedenis der wijsbegeerte. De inleiding was bij de regeling van de examens psychologie in 1941 verplicht vak geworden voor de candidandi in de psychologie. Lang heeft deze situatie niet meer geduurd. In januari 1943 begonnen razzia's onder de studenten van verschillende universiteiten, hetgeen tot gevolg had, dat de anderen niet meer naar de colleges kwamen en zich zoveel mogelijk schuil hielden. In maart 1943 werd de loyaliteitsverklaring van de studenten geëist. Wij stonden voor de vraag, of wij gelegenheid zouden geven om deze verklaring te tekenen. Weigering zou de sluiting van de universiteit noodzakelijk tot gevolg hebben.
Nochtans werd werd in de senaatsvergadering van 13 maart 1943, de eerste die sinds lange tijd werd gehouden, met alleen de stemmen van Baader en de Waele tegen, besloten de verklaring niet te laten tekenen. Diezelfde dag was vernomen, dat de president-curator van de hogeschool te Tilburg, mr. A. Baron van Wijnbergen, de formulieren van de verklaring aan de studenten had doen toekomen en dat de aartsbisschop, mgr. J. de Jong, tegen diezelfde middag alle bisschoppen en de vertegenwoordigers van Nijmegen en Tilburg te Utrecht bijeenriep om over deze zaak te beraadslagen. Op verzoek van de secretaris van de senaat, collega Cornelissen (1893-1947), die de middag nog wilde besteden aan het afnemen van examens en tentamens, ging ik met de rector-magnificus, collega Hermesdorf, naar Utrecht. Het werd een zeer bewogen vergadering. De aartsbisschop noemde het tekenen van de verklaring "manifest landverraad" en sloeg met de vuist op tafel toen van Wijnbergen zijn handelwijze nog trachtte te rechtvaardigen en het zelfs voor Seyss Inquart opnam. Ook de president-curator van Nijmegen, dr. A. Boekelman, ging in heftige bewoordingen tegen van Wijnbergen te keer. De bisschop van Haarlem, mgr. J.P. Huibers, deed hetzelfde nog eens op de hem eigen rustige wijze. Besluit van de vergadering was, dat de beslissing van de Nijmeegse senaat werd goedgekeurd en dat aan curatoren van Tilburg werd opgedragen, aan de studenten te berichten, dat het toezenden van de verklaringsformulieren geen enkele aanbeveling inhield om die te tekenen. Wij hadden nog een of twee dagen tijd om examens en tentamens af te nemen en daarna werd de universiteit gesloten. Wij moesten ons afvragen of het voorgoed zou zijn. De oorlog was echter al zover gevorderd, dat wij goede hoop konden hebben, dat de bevrijding niet al te ver meer verwijderd was. Maar wat zou er intussen met de leden van universitaire gemeenschap en met de universitaire gebouwen gebeuren ? Het hoofdgebouw werd al spoedig in beslag genomen voor administratieve diensten van de bezetters. Het aula-gebouw werd in beslag genomen om te dienen voor de zittingen van de Hoge Raad, die uit Den Haag naar Nijmegen was verbannen. Er bleef ons niets anders over dan het complex van de universiteitsbibliotheek, de instituten en het psychologisch laboratorium.
De sluiting van de universiteit maakte het ons onmogelijk, officiële functies, zoals het afnemen van examens te verrichten, op straffe van ongeldigheid. Wel besloten wij de studenten zoveel mogelijk verder te helpen door het afnemen van tentamens. Sommige van die tentamens konden normaal bij ieder van ons thuis plaats hebben, andere namen wij af op onderduikadressen van studenten. Zo herinner ik mij dat ik tentamen ben gaan afnemen o.a. in Utrecht, Zevenaar en Oss. De colleges waren uiteraard geheel gestaakt, hetgeen mij gelegenheid gegeven heeft tot zeer intens werk. Dit werd echter herhaaldelijk gestoord door de bedreiging van de bezetters, dat de Stella Maris binnenkort ontruimd zou worden. Wij waren bedacht op maatregelen om in zulk geval op korte termijn een nieuw derdak te vinden en zoveel mogelijk van ons meubilair in veiligheid te brengen. De familie van Campen op de Oude Stadsgracht bood mij in haar huis twee kamers aan en stelde mij voor, daar reeds het een en ander op te bergen, hetgeen ik deed. Van dat alles is door de Duitse brandstichting van september 1944 niets overgebleven.
In de laatste oorlogsjaren had ik geregeld contact met mijn Amsterdamse collega Ph. Kohnstamm (1875-1951), in zijn huis "De Schapendrift" te Ermelo. Als Jood was hij gedwongen een ster te dragen, en hij verliet zijn huis niet anders dan om zondags de kerkdienst in het dorp bij te wonen. Als Christen heeft hij in zijn geloof de kracht gevonden om de slagen, die hem en zijn familie door de bezetters werden toegebracht, met gelatenheid en berusting te dragen. Zijn geestkracht en enthousiasme voor alle zaken des geestes hebben hem nooit verlaten. Hij was vol plannen voor hetgeen na de bevrijding zou moeten gebeuren en organiseerde in zijn huis besprekingen van personen van verschillende richting, Christenen van verschillende confessie en humanisten, ten einde de samenwerking van later voor te bereiden. Uit deze besprekingen is voortgekomen de "Cultuurgeschiedenis van het Christendom", die door een redactie van Katholieken en Protestanten werd opgezet en waarvoor een groot aantal medewerkers van velerlei richting werd gezocht en gevonden. Het werk is uiteraard eerst na de oorlog kunnen verschijnen. Andere plannen van Kohnstamm, zoals het schrijven van een bundel opstellen, getiteld "Perspectieven", over de politieke vormgeving na de oorlog, zijn niet verwerkelijkt. Wel heb ik meegewerkt aan andere verzamelwerken, zoals : "Nederland tussen de naties", onder redactie van J.S. Bartstra en W. Banning, "Geestelijk Nederland 1920-1940", onder redactie van K.F. Proost en J. Romein, en "Geschiedenis, een bundel studies over den zin der geschiedenis", bedoeld als een feestbundel voor W.J. Aalders (1870-1945), maar die als zodanig niet mocht verschijnen.
Op 27 juni 1944 heb ik te Helmond het huwelijk van Hilda Aukes ingezegend. De huwelijksreis ging niet verder dan Lochem en het jonge paar vestigde zich te Utrecht.
Heel kort daarna zouden alle verbindingen tussen Noord- en Zuid- Nederland worden verbroken. Reeds in de maand juli 1944 werden herhaaldelijk geallieerde bombardementen op de spoorlijnen uitgevoerd, waardoor het spoorwegverkeer ernstig gestagneerd werd en op de stations opstoppingen ontstonden van reizigers, die onverwacht niet verder konden.
Eind augustus 1944 ging ik nog naar de retraite op Rolduc. Tijdens die retraite werd besloten, de jongens voorlopig niet te laten terugkeren (geheel de oorlog had het onderwijs op Rolduc ongestoord voortgang gevonden). Een aantal van de priesterleraren bleef achter, andere gingen naar huis; bij de laatste was dr. Paul Geurts, die enkele dagen later met zijn gehele familie door een bombardement te Horst zou omkomen.
In de eerste dagen van september ging ik nog naar Tilburg voor de begrafenis van mijn aangetrouwde neef Laurent Janssens. Het spoorwegverkeer was toen al zo gestoord, dat verschillende van zijn naaste familieleden de begrafenis niet konden bijwonen, maar ik kon die avond Nijmegen per trein nog bereiken. Het zou een jaar duren, eer ik weer in een trein zou zitten.
Wij begrepen, dat de grote beslissingen in de oorlog gingen vallen en dat het einde naderde. Op "Dolle Dinsdag" hadden wij reeds grote aantallen Duitsers met vrouwen, kinderen en bagage uit België via Nederland zien vluchten. De bevrijding was in zicht, maar er gingen nog tal van onjuiste berichten daaromtrent rond. Zo ging reeds een van de eerste dagen van september het gerucht, dat Zuid-Limburg tot en met Sittard bevrijd zou zijn. Op zekere avond verschenen bij mij M. Coenders, afgezet burgemeester van Sittard, en C. Kortmann, afgezet burgemeester van Neeritter en Ittervoort. Zij hadeen beiden opdrachten van de regering, de eerste om het bestuur van zijn gemeente weer op zich te nemen, de tweede om in de gemeente Heer de plaats van een N.S.B.-burgemeester te gaan innemen. Telefonisch contact met de gemeente Sittard gaf geen nauwkeurig uitsluitsel over de situatie, maar wel werd afgesproken, dat de Sittardse brandweer de twee die avond bij mij zou komen afhalen. Dit is geschied. De twee burgemeesters vertrokken in brandweeruniformen, maar vonden bij aankomst Sittard nog niet bevrijd, zodat zij terstond weer moesten onderduiken. Voor hen was de bevrijding echter nabij en na enkele dagen konden zij hun opdracht gaan uitvoeren. Coenders heeft tot zijn door het burgemeesterschap van Sittard bekleed; Kortmann, die in juli 1941 bij mij te Nijmegen gepromoveerd was, is na de bevrijding van Midden-Limburg belast met het bestuur van de gemeente Weert, eerst voorlopig, later definitief, werd later burgemeester van Breda en in 1959 commissaris van de Koningin in Noord-Brabant.
| ◄▬ | De bezettingsjaren | ▬► |