| ◄▬ | 1934 - 1939 | ▬► |
1934 Internationaal Philosophencongres te Praag
In augustus 1934 werd te Praag het Internationaal Philosophencongres gehouden. Door een Nederlands reisbureau werd daartoe een speciale reis georganiseerd voor professoren en studenten en ik heb daaraan deelgenomen, o.a. met de collega's H.J. Pos (1898-1955), Leo Polak (1880-1941), H.L. De Vleeschauwer (1899-19 ), I.J.M. v.d. Berg (1890-19 ) en P. de Jong (1898- 1945). Wij reisden eerst naar Dresden, waar wij door het gemeentebestuur ontvangen werden, en vervolgens naar Praag, een stad, waarvan de barokke luister een onvergetelijke herinnering bij mij heeft nagelaten. Het Congres gaf gelegenheid om met de kopstukken van het Europese denken, zoals Léon Brunschvicg, Jacques Maritain, Jacques Chevalier, Nic. Berdjajew, Nic. Hartmann, e tutti quanti persoonlijk in contact te treden. Wij werden ontvangen door de minister van buitenlandse zaken, E. Benes (1884-19 ) in het paleis Czernin, en bij ontstentenis wegens ziekte van de president T.G. Masaryk (1850-19 ) door diens dochter in het paleis Hradzany. Ook bezochten wij het klooster van de Norbertijnen met het graf van de H. Norbertus en het rijke museum. Een excursie voerde ons naar het buitenverblijf van Aartshertog Rudolph van Habsburg (18 - 1914). Na een verblijf van ruim een week te Praag gingen wij nog met een klein deel van het gezelschap naar Wenen, waar wij toevallig een indrukwekkende parade van het leger van vóór 1914 met de kleurige, operette-achtige uniformen meemaakten.
1934 Philosophie lessen aan de KMA
In hetzelfde jaar 1934 kreeg ik een uitnodiging van de Katholieke Cadettenvereniging St. Ignatius aan de KMA te Breda om daar les te komen geven in de philosophie. Ik nam die uitnodiging aan en gaf elke veertien dagen 's avonds drie lessen, waarvoor veel belangstelling bestond, ook van buiten de vereniging. De gouverneur, generaal Baron van Lawick († 1965) ontving mij vriendelijk en zorgde voor de nodige faciliteiten. Ik vermoedde toen niet, dat deze lessen aan de KMA vele jaren later nog gevolgen zouden hebben. De ervaring leerde, dat de cadetten, die de lessen bijwoonden, behoefte hadden aan meer persoonlijk contact, maar ik kon daar slechts in beperkte mate op ingaan aangezien ik 's avonds weer naar Nijmegen moest vertrekken. Na drie jaren heb ik daarom deze lessen overgedragen aan dr. Th. van der Bom (1894-1966), een priester van het bisdom Breda, die in de stad woonde en bijzonder voor de philosophie gekwalificeerd was. Hij heeft de lessen tot 1940 met veel vrucht voortgezet.
In april 1936 ben ik gekozen tot lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, de hoogste onderscheiding, die in Nederland op dit gebied bereikbaar is. Ik had deze verkiezing grotendeels te danken aan de invloed van mijn collega Schrijnen, maar zij had tot gevolg, dat mijn collega Hoogveld, aan wie ik in verband met mijn professoraat te Nijmegen zoveel te danken had, niet kon verdragen, dat hij voor de Academie gepasseerd was. Na deze verkiezing heeft hij nooit meer een voet in mijn huis gezet en zelfs nooit meer het woord tot mij gericht. Het is voor mij bijzonder pijnlijk geweest. Zelfs onze collega Brandsma, die er altijd op uit was, tegenstellingen te overbruggen, heeft hier niets aan kunnen doen.
Mijn verkiezing in de Academie was een grote voldoening voor mijn moeder, de laatste, die ik haar heb kunnen geven. Op 5 juni 1936 is zij te Breda overleden, na een smartelijke doodsstrijd van vier dagen. Zij was een volkomen evenwichtige vrouw, sterk van lichaam en van geest, onbaatzuchtig, sober van leven, eerlijk en zelfbeheerst. Ze is ons in al wat goed is voorgegaan. Met mijn broer Lo en mijn zuster ben ik bij het sterven tegenwoordig geweest. Ik had de eindexamentournee onderbroken en heb die terstond na de begrafenis weer hervat in afwachting van de maatregelen, die zouden moeten worden genomen om het huis te Breda te ontruimen en voor mijn zuster een onderkomen te zoeken.
![]() |
Genealogie Sassen:
tC1 VIIIg. Ir. Ferdinand George Henri Auguste Sassen, geboren te Maastricht 9 mei 1846, (...) overl. Breda 11 mei 1902,
tr. Oosterhout N.B. 14 sept. 1875 Carolina Theodora Constantia Stams, geb. Rotterdam 19 maart 1854, overl. Breda 5 juni 1936, dr van Joannes Stams en Joanna Jacoba Noordanus.
1936 Zuster Clementine verhuist naar Stella Maris
Onverwacht deed zich de gelegenheid voor om mijn zuster in de Stella Maris te Nijmegen onder te brengen. Twee grote kamers waren vrij gekomen en over de condities werd met de overste van het huis overeenstemming bereikt. Mijn moeder had de gehele inboedel van het huis te Breda voor mijn zuster bestemd. Deze kon uitzoeken hetgeen zij te Nijmegen kon plaatsen en de rest een andere bestemming geven. Het heeft heel wat moeite gekost om het huis te Breda, waar een inboedel vanaf het huwelijk van mijn ouders sinds 1875 was bijeengebracht, definitief te ontruimen.
Tegen 1 augustus 1936 was het zover en konden wij het huis aan de volgende bewoners overdragen. Mijn zuster kreeg in de Stella Maris een grote zitkamer aan de tuinzijde, met uitzicht op het Keizer Karelplein, en een grote slaapkamer twee verdiepingen hoger, met balkon. Zij heeft die kamers bewoond, tot deze door de Duitse bezetters ontruimd werden en zij gedwongen was van de ene kamer naar de andere te trekken. Tot 1 september 1945 is zij te Nijmegen woonachtig gebleven. De jaren van ons samenwonen te Nijmegen zijn voor mij wel eens moeilijk geweest. Zij kon het niet nalaten zich met mijn zaken te bemoeien en haar bijna pathologische schoonmaakwoede bezorgde mij veel last : als ik een dag uitging, liet zij terstond mijn kamers overhoop halen en ging zij zelf de kasten en de kleren schoonmaken. Maar mijn werk heeft daaronder niet geleden : de dertiger jaren zijn voor mij een tijd geweest van grote productiviteit en ik heb mij altijd weer vóór mijn bureau op mijn gemak en veilig gevoeld.
![]() |
Genealogie Sassen
tC1 VIIIg 2 . Wilhelmine Caroline Clementine Sassen, geb. Utrecht 20 maart 1878, membre honoraire de 1'Hospitalité de Notre Dame de Lourdes, begiftigd met het gouden kruis Pro Ecclesia et Pontifice van de H. Stoel, overl. Oudenbosch 10 febr. 1963.
1937 Universiteit Lausanne 400 jaar
In mei 1937 heb ik als afgevaardigde van de Katholieke Universiteit de feesten bijgewoond van het 400-jarig bestaan van de Universiteit van Lausanne. Alle Nederlandse Universiteiten waren daarbij, met vele andere uit verschillende landen der wereld, vertegenwoordigd. Het feest begon met een plechtige zitting in ambtsgewaad in de kathedraal, waar wij in een luisterrijke stoet naar toe trokken. Drie dagen werden wij op de meest gulle wijze onthaald. Ook gingen wij met een speciale boot naar het kasteel van Chillon bij Montreux, waar de Zwitserse regering met president G. Motta (1871-19 ) ons ontving. Het was aanhoudend prachtig weer. Ik kreeg een uitnodiging van mijn vroegere medestudent uit Fribourg, dr. H. de Vries van Hekelingen, om in het kanton Valais, waar hij woonde, nog enkele dagen te komen logeren, maar ik kon daar geen gevolg aan geven, omdat de eindexamens der gymnasia onmiddellijk bij de feesten van Lausanne aansloten.
Losse bijlage:
Overzicht van de buitenlandse en Zwitserse delegaties - in slideshow
1937 Het Internationale Philosophencongres in Parijs
In augustus 1937 heb ik nog eens het Internationale Philosophencongres bijgewoond, dat toen, ter herdenking van het verschijnen van het Discours de la méthode van R. Descartes (Leiden, 1637) te Parijs werd gehouden en de naam droeg van "Congrès-Descartes". Ik nam daaraan deel als afgevaardigde van de Regering (destijds nog op eigen kosten !) en had van minister Slotemaker de Bruine opdracht, het congres uit te nodigen om volgens afspraak de volgende maal in Nederland bijeen te komen, en wel in 1941 te Groningen. Wij zijn nog in de zomer van 1939 met een klein werkcomité, bestaande uit de ordinarii van de philosophie van de Nederlandse universiteiten, met de voorbereiding van het congres van 1941 begonnen, maar reeds na één bijeenkomst hebben wij de werkzaamheden gestaakt, omdat het duidelijk was geworden, dat de oorlog het congres zeker zou verhinderen.
Eerst in 1948 is het volgende Internationale Philosophencongres weer bijeengeweest, maar nu niet te Groningen (Leo Polak, die zou presideren, was intussen in een concentratiekamp omgekomen), doch te Amsterdam, onder voorzitterschap van H.J. Pos, terwijl ik als ondervoorzitter fungeerde.
![]() |
Het congres te Parijs was intussen even boeiend geweest als dat van Praag in 1934. Vele oude bekenden waren weer aanwezig, nieuwe bekenden werden opgedaan. Parijs was in feeststemming wegens de wereldtentoonstelling, die tegelijkertijd daar werd gehouden, en de toeloop van vreemdelingen was enorm. Van het congres is mij het sterkst bijgebleven het optreden van Maurice Blondel (1861-1949) en de reactie daarop van Ch. Boyer S.J. (1884-19 ), die als een rehabilitatie van de vroeger verdachte door Rome beschouwd werd.
In 1938 werd ik door minister Slotemaker de Bruine benoemd in een spelling- commissie. Nadat reeds verschillende commissies van deskundigen op het gebied van de Nederlandse taal niet tot een eenstemmig besluit over de schrijfwijze van de taal hadden kunnen komen, besloot de minister een commissie in te stellen van "taalgebruikers" om uit de impasse te geraken. Voorzitter werd mr. J.P. Fockema Andreae, oud-burgemeester van Utrecht en oud-commissaris der Koningin in Groningen. Leden waren o.a. mr. J. Donner, oud-minister van justitie, drs. E. Boekman, wethouder van Amsterdam († 1940), Antoon Coolen (1897-1961), dr. H.J.E. Endepols († 1962), dr. C.B. van Haeringen, prof.dr. G. van der Leeuw (1890-1950), prof.dr. F. Feron († 1958), dr. E.H. Renkema, L. Welling. Volgens verklaring van de minister in de Tweede Kamer werkten wij ten nauwste samen met een overeenkomstige Belgische commissie, onder voorzitterschap van Herman Teirlick en waar o.a. J. van Mierlo S.J. deel van uitmaakte. Wij hebben echter onze Belgische vrienden slechts eenmaal ontmoet en die ontmoeting heeft geen zakelijke resultaten opgeleverd. Aan onze kant verliepen de werkzaamheden in de beste stemming. Verschillende leden wedijverden in geestigheid en er werd veel gelachen.
In het voorjaar van 1939 waren wij klaargekomen met een nieuwe algemene maatregel van bestuur in zake de spelling van de Nederlandse taal en minister Slotemaker de Bruine heeft deze kort vóór zijn aftreden in de zomer van 1939 nog in het Staatsblad gekregen. De nieuwe minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen in het in 1939 opgetreden kabinet-de Geer, dr. G. Bolkestein heeft het desbetreffende koninklijk besluit doen intrekken, hetgeen op zich zelf een opmerkelijk en enigszins bedenkelijk feit was. De spelling van de Nederlandse taal kwam daarmede opnieuw op losse schroeven te staan en op het ogenblik, waarop dit getikt wordt, in april 1966, duurt de chaos nog steeds voort.
Ons mede-lid J. Boekman heeft zich bij de Duitse inval in mei 1940 het leven benomen. Prof. van der Leeuw werd minister van onderwijs in het eerste na-oorlogse kabinet Schermerhorn-Drees (1945-1946), maar heeft aan de spelling verder niets kunnen doen. De opeenvolgende ministers van onderwijs hebben voortdurend ter zake contact onderhouden met hun Belgische ambtgenoten, maar de kwestie is steeds slepende gebleven.
’s Winters in Arosa in Graubünden
Drie maal, in 1937, 1938 en 1939, heb ik, telkens in januari, met mijn Nijmeegse collega en oud-klasgenoot van het Canisius-college J. Cornelissen (1893-1947) een paar weken doorgebracht te Arosa in Graubünden. Het was een heerlijke tijd. Wij genoten van zon en sneeuw, wandelden vele uren en brachten de avonden door met mijn oud-medestudent van Fribourg dr. X. de Hornstein, toen deken van Basel, later hoogleraar te Fribourg, en met de Directeur d l'Instruction publique van het Canton Fribourg, J. Piller. Ook maakten wij in het pension Florentinum, waar wij logeerden, kennis met Gertrud von Le Fort (dichteres en romanschrijfster, geb. 1876).
1939 Het eeuwfeest van St. Willibrord te Utrecht
Op 7 november 1939 werd in de domkerk van Utrecht het eeuwfeest van St. Willibrord met grote luister door vertegenwoordigers van alle richtingen van het Nederlandse volk gevierd. Alle Rooms-Katholieke en Oud-Katholieke bisschoppen waren aanwezig met de leiders van de Synoden van de Hervormde en de Gereformeerde Kerken. Van de preekstoel werd het woord gevoerd door Gerard Brom namens het Katholieke volksdeel, door de Groningse hoogleraar W.J. Aalders namens de Protestanten en door J. Huizinga namens de Humanisten.
De plechtigheid was een treffend beeld van de nationale eenheid op de vooravond van de oorlog, "in de schaduwen van morgen". Na afloop vernamen wij, dat die dag Koning Leopold III van België onverwacht in Den Haag was aangekomen om met Koningin Wilhelmina overleg te plegen over een dringend beroep op de partijen, die reeds sinds september tegenover elkaar stonden. Ook in die novemberdagen werd in ons land reeds de Duitse inval verwacht, maar de dreiging ging nog voorbij. Wij leefden de hele winter in spanning, ons afvragend, of en wanneer die inval nog zou komen.
| ◄▬ | 1934 - 1939 | ▬► |


