◄▬ 1912 Fribourg ▬►
Inhoudsopgave deze pagina
1912 Fribourg 1914 Opname in het bisdom Roermond Dongen en Terborg
1914 Avontuur 1 1914 Avontuur 2 1915 Paasvacantie


1912 Fribourg

Onze leraar Nederlands, Pater A. Bergé, sinds november 1911 rector van het Canisius-College, is tijdens mijn laatste schooljaar op de gedachte gekomen, dat ik, in plaats van naar Rolduc te gaan voor de philosophiecursus (hetgeen ik van plan was) beter aan een universiteit philosophie zou kunnen studeren. Hij besprak dit met mijn moeder in de Pinksterdagen van 1912 en na enige besprekingen heen en weer werd, mede op advies van onze neef dr Jan Sassen O.P. (1876-1944) *), besloten, dat ik naar Fribourg zou gaan. Zo vertrok ik begin october 1912 voor het eerst van mijn leven naar Zwitserland, waar ik later zo dikwijls mijn vacanties zou doorbrengen.
Aan de jaren van Fribourg denk ik met onverdeeld genoegen terug. Ik had intussen geleerd hard te werken, maar daarnaast was er gelegenheid om door heel Zwitserland te reizen en in de dagelijkse omgang met het internationaal gezelschap studenten de praktijk van het spreken van vreemde talen op te doen. Ik was van het begin af aan gedwongen, elke dag Frans, Duits en Engels te spreken, en met behulp van een elementaire cursus, die aan de universiteit werd gegeven, heb ik zoveel Italiaans geleerd, dat ik dat voldoende kon lezen en verstaan.
De ervaringen in het internationale milieu en het contact met vreemdelingen van allerlei landaard zijn mij voor mijn later leven van groot nut geweest.

*) Genealogie Sassen
tB3 VIIIe-2 Dr. Jan Hendrik Hubert Sassen O.P., geb. Venray 1 oct. 1876, phil.doctor, r.k. priester, lid van de Orde der Dominicanen, achtereenvolgens bibliothecaris der Orde te Rome, professor in de kerkgeschiedenis te Zwolle en Utrecht en in de christelijke archeologie te Huissen, overl. (in het klooster aldaar getroffen tijdens een bombardement) Huissen 2 oct. 1944.


1914 Opname in het bisdom Roermond

In augustus 1914 had ik een onderhoud met de pas benoemde Bisschop van Roermond. Mgr. L. Schrijnen († 1932), die bereid was, mij na voltooiing van mijn universitaire studie in de philosophie toe te laten tot de studie van de theologie aan het Groot-Seminarie te Roermond en mij in zijn Bisdom op te nemen, op grond van de Maastrichtse oorsprong van mijn familie en hoewel ik noch in zijn Bisdom geboren, noch daar woonachtig was.
Ik heb daar nooit spijt van gehad en ik heb mij altijd onder de geestelijkheid van het Bisdom Roermond thuis gevoeld, al heb ik het grootste deel van mijn priesterlijk leven buiten het Bisdom doorgebracht. Dat ik Roermond heb gekozen, reeds lang vóór ik aan de directe voorbereiding op het priesterschap toe was, was zeker in de geest van mijn overleden vader, die zich zo door en door Limburger voelde.


Dongen en Terborg

Tot de aangenaamste herinneringen van mijn jeugd behoren die aan het dikwijls herhaalde verblijf te Dongen, bij mijn oom en tante Henri en Cato Stams-Bressers († 1912 en 1931) en bij mijn oom en tante Kees en Jet Bressers-Stams († 1933 en 1911). Ik genoot er van hun onbeperkte gastvrijheid, van de vrolijke omgang met de neven en nichten, van de grote huizen en van de voor mij haast onvoorstelbaar grote tuinen, en van de royale levensstijl, die mij uiterst luxueus voorkwam in vergelijking met het sobere en zuinige leven, dat ik thuis gewoon was : mijn moeder moest van een klein pensioen en van de renten van een bescheiden vermogen rondkomen en zich in menig opzicht beperken; zelf heeft zij daar nooit over geklaagd en extra genoegens heeft zij zichzelf nooit gegund. Twee maal per jaar ging zij bij mijn broer Ru te Terborg *) logeren; dat waren de enige vacanties, die zij na de dood van mijn vader ooit gekend heeft. Ook voor mij was het logeren te Terborg in de zomervacantie altijd weer een groot genoegen; Ru en Mies deden dan alles om het verblijf in hun huis prettig te maken. Ik trof er de jongens Deurvorst uit Ulft : Zeno, Mel, Eduard, Frank, Marcel, en de jongens en meisjes Deurvorst uit Terborg, vooral Toon, Michel, Richard, Liedje, met wie ik pleizierig kon omgaan.

Dongen, 25 maart 1914, met Paasvacantieterug uit Fribourg

Zomer wilde voor mij zeggen : Dongen en Terborg. In latere jaren gingen de wegen uiteen, maar de vriendschappelijke gevoelens bleven.

*) Genealogie Sassen
1 . Ir Johan Rudolph Sassen, geb. Utrecht 10 sept. 1876, werktuigkundig ing., directeur N.V. Koninklijke IJzergieterij en Emailleerfabriek Diepenbrock en Reigers te Ulft, voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Arnhem, voorzitter van de Algemene Vereniging van IJzergieterijen, voorzitter van de Katholieke Vereniging van Werkgevers in de Metaalnijverheid, lid van de Commissie van Toezicht op het Rijksopvoedingsgesticht ‘De Kruisberg’ te Doetinchem, ridder in de Orde van Oranje-Nassau, commandeur in de Orde van de H. Gregorius de Grote van de H. Stoel, overl. Ulft 6 nov. 1946,
tr. Varsseveld 13 oct. 1903 Maria Zenobia Catharina Julia Augusta Vonk de Both, geb. Zevenaar 20 aug. 1877, overl. Nijmegen 3 aug. 1970, dr. van Zeno Johan Gerhard Vonk de Both en Maria Vonk.


1914 Avontuur 1

In hetzelfde jaar 1914, waarin ik het eerst in contact kwam met Mgr. Schrijnen„ heb ik twee avonturen beleefd, waarvan de herinnering mij heel mijn leven is bijgebleven.
Voor de militaire dienst behoorde ik tot de lichting 1914 en ik had het normale uitstel van dienst om studieredenen aangevraagd, rekenend na afloop van die termijn onder de bepalingen te vallen betreffende vrijstelling van militaire dienst voor a.s. bedienaren van de godsdienst.
Op 31 juli 1914 werd echter de algemene mobilisatie van land- en zeemacht aangekondigd en werden tegelijk alle soorten verloven ingetrokken. Ik vernam het bericht van de mobilisatie te Dongen en ging nog in de vroege morgen van 1 augustus naar Breda om mij te melden in de Chassé-kazerne, waar men overigens in het geheel niet op de hoogte was van degenen, die bij de mobilisatie verwacht werden.
De verwarring was groot; de legerorganisatie was in het geheel niet op deze onverwachte mobilisatie berekend, maar wie zich aanmeldde werd natuurlijk vastgehouden. Wij brachten de dag door op het terrein van de kazerne en werden voor de nacht ondergebracht in een school in de Ginnekenstraat, die voor dat doel ontruimd was en waar een aantal bossen stro op de grond was uitgespreid.
De volgende middag werden wij op transport gesteld naar Delft om daar in het depot van het zesde regiment infanterie te worden opgeleid. In de kazerne sliepen wij weer in het stro en een waterkraan buiten was de enige wasgelegenheid voor enige honderden soldaten. Aangezien ik niet op de keuring was verschenen, verzocht ik terstond bij aankomst te Delft gekeurd te mogen worden. Deze keuring strekte zich niet verder uit dan mijn rechteroog en daarop werd ik afgekeurd, met de mededeling nochtans, dat deze afkeuring wegens de oorlogsomstandigheden nog moest worden bekrachtigd door een commissie, die overigens nog niet was benoemd. Met andere afgekeurden, onder wie enkele invaliden, bracht ik de dag door op de binnenplaats van het militair Hospitaal, thans het Prinsenhof te Delft.
Na acht of tien dagen nietsdoen, besloot ik een stap te wagen bij onze neef R. de Quay, toen adjudant van de minister van oorlog. Op mijn brief stuurde hij reeds de volgende dag zijn twee zoontjes, Cas, later Jesuiet in Indonesië en Jan, later minister-president, naar Delft, om mij te zeggen dat de zaak in orde zou komen, en inderdaad werd ik daags daarna losgelaten. Later vernam ik echter, dat andere afgekeurden nog twee maanden op ontslag hadden moeten wachten.


1914 Avontuur 2

In de loop van de zomervacantie 1914 kwam de vraag op, of het nog mogelijk zou zijn, via Duitsland, Zwitserland te bereiken om tijdig bij het begin van het academisch jaar te Fribourg aan te komen. Na enige informaties gingen wij, n.l. J.B. Kors († 1966), F.A. Weve, F. Schweigmann en ik op 30 october 's morgens vroeg vanuit Nijmegen op reis. Na herhaaldelijk overstappen en lang wachten, waarbij wij o.a. te Keulen getuigen waren van het binnenkomen van enkele treinen met gewonden van het Yzerfront, kwamen wij 's avonds tot Frankfurt aM., waar wij logeerden. De volgende dag ging de reis verder, weer met veel vertragingen, zodat wij eerst in de late namiddag aan het laatste toenmalige grensstation in de Elzas, toen genaamd Leopoldshöhe, thans St. Louis, aankwamen. Daar werd ik door de Duitse grenswacht aangehouden, omdat blijkens de "zwarte lijst" die zij voor zich hadden, iemand gezocht werd, wiens naam op de mijne leek en die koopman was en te Rotterdam woonde. Ondanks mijn protest werd ik op transport gesteld naar een plaats op enkele kilometers afstand, genaamd Lôrrach, en daar in de gevangenis opgesloten. De volgende morgen werd ik onder veel excuses vrijgelaten, weer naar Leopoldshöhe gebracht en daar met veel hulpvaardigheid met mijn bagage op de tram gezet naar de Zwitserse grens. Het was 1 november, Allerheiligen; in de loop van de middag arriveerde ik te Fribourg, waar ik door mijn medereizigers met gejuich werd begroet. Later heb ik het verhaal eens gedaan bij de Nederlandse gezant te Bern, die er proces-verbaal van heeft laten opmaken.


1915 Paasvacantie

In de Paasvacantie van 1915 ben ik, in tegenstelling tot vroegere jaren, niet naar huis gegaan, maar heb ik enkele weken doorgebracht, eerst te Menaggio (Italië) aan het Meer van Como, daarna te Villeneuve bij Montreux, aan het Meer van Genève. In juli van dat jaar was ik klaar met mijn proefschrift "De theoria cognitionis Plotini" (Sittard, 1916) en daarmee was het einde van mijn verblijf te Fribourg, de gelukkigste en meest onbezorgde jaren van mijn leven, aangebroken.
Tegen eind juli werd de reis naar Nederland ondernomen, weer door het oorlogvoerende Duitsland, en weer hadden wij twee dagen daarvoor nodig, maar nu zonder verdere moeilijkheden.

 

◄▬ 1912 Fribourg ▬►
/**
Powered by Website Baker
*/