| ◄▬ | Nijmegen bevrijd | ▬► |
| September 1944 | Nijmegen in de vuurlinies |
| Het verblijf in Stella Maris | De situatie in Nijmegen |
Vrijdag 15 september 1944.
De Duitse bezetting van de Stella Maris kondigt aan dat zij gaat vertrekken. Het wordt het personeel van de naast ons gevestigde Konmandantur in de nabijheid van het station te benauwd. Zij gaan zich verplaatsen naar het gebouw van het Stedelijk Gymnasium, Schevichavenstraat, hoek Oranjesingel. Een sergeant drukte zich als volgt uit : "Wenn die Tourmies kommen, gibt es hier Krach.". In de nacht van vrijdag op zaterdag is de hele Kommandantur en zijn de kamers, die in de Stella Maris bezet waren, ontruimd. Rommel hebben de bezetters niet achtergelaten. De vloeren zijn aangeveegd, alles is schoongemaakt.
Zaterdag 16 september.
Tegen 10 uur komt Ferd vertellen dat hem een zoon geboren is, 2½ maand te vroeg. De dokter heeft geweigerd te komen, wegens het uitgangsverbod. De vader heeft de bevalling zelf moeten verrichten. In de morgen is de dokter komen zeggen, dat het kind in een kamer met hoge temperatuur moet worden gehouden en dat het niet naar de kerk mag worden gebracht om gedoopt te worden. In de namiddag ga ik te voet naar Beek, onder welke parochie de Beekmansdalseweg toen nog viel, om de deken verlof te vragen het kind met alle ceremoniën in huis te dopen. Hij geeft mij het nodige daarvoor mee. Twee dagen later was zijn pastorie in puin geschoten. Teruggekomen ga ik allereerst een peter en meter engageren. Notaris van Schaik en zijn vrouw werden daartoe bereid gevonden. Daarna heb ik het kind in de kamer van de moeder gedoopt.
Zondag 17 september.
Omstreeks half elf wordt in de stad luchtalarm gegeven en niet meer opgeheven. De mensen in de kerken krijgen gelegenheid om nog naar huis te gaan. In de vroege namiddag wijzen zware slagen en dikke rookwolken in de richting van de Groesbeekseweg op een bombardement. Vrijwel onmiddellijk daarna komt onze overbuurman Jaap Bartels vertellen, dat van Dekkerswald telefonisch bericht is aangekomen, dat de Amerikanen daar zijn. Er valt een onwezenlijke stilte over de stad. Een enkele Duitse patrouille passeert nog. In de volgende nacht ben ik gekleed op bed gaan liggen. Tegen één uur weerklonk mitrailleervuur in de onmiddellijke nabijheid. Op het Keizer Karelplein werd gevochten. Na enige tijd tikten geweerkogels tegen de muren van Stella Maris. De bewoners werden gewekt.
Maandag 18 september.
Het blijft voorlopig doodstil. Duitse scherpschutters graven zich in voor ons huis. Alle bewoners zijn gealarmeerd en gereed om zo nodig het huis te verlaten. In de volgende nacht gaan wij niet naar bed, maar blijven in stoelen proberen te slapen.
In de namiddag van maandag 18 september 1944 is het hoofdgebouw van de Universiteit aan het Keizer Karelplein in vlammen opgegaan.
Dinsdag 19 september.
Op straat blijft het stil. Nu en dan passeren kleine patrouilles S.S.-ers. In de verte klinkt herhaaldelijk geweervuur. Nu en dan wordt op het Keizer Karelplein gevochten. In de vroege namiddag komt onze achterbuurman, de neus-, keel- en oorarts Plantenga, over de tuinmuur geklommen om te zeggen, dat enkele huizen van hem vandaan, in de Spoorstraat een jongen (Leesberg) op het dak doodgeschoten was, en te vragen, of een zuster het lijk wilde komen afleggen. Inderdaad is een zuster van Stella Maris, klimmende over de tuinmuren, dat werk gaan verrichten.
Korte tijd daarna kwam de familie Broekman van het Keizer Karelplein naar ons tegelopen, zeggende : "Ze steken ons huis in brand.". Het was maar al te waar.
De grote huizen van het Keizer Karelplein, aan weerszijden van de kerk, stonden al in lichterlaaie. Onmiddellijk daarna begonnen S.S.- ers, geholpen door jongens van de Hitlerjugend de huizen tegenover ons aan de van Schaeck Mathonsingel stuk voor stuk in brand te steken. Zij sloegen met de kolven van de geweren de ruiten in, wierpen iets naar binnen en in enkele ogenblikken stonden die huizen in vlammen. De bewoners werden gedwongen over de achtermuren van hun tuinen te vluchten. De wind was oost, zodat voor de huizen aan onze zijde van de Mathonsingel voorlopig geen gevaar dreigde.
Spoedig echter bleek dat ook de huizen van de Spoorstraat, aan de andere zijde van de Mathonsingel in brand werden gestoken. Deze huizen waren, in onderscheid met die van de Mathonsingel, aaneengebouwd. Binnen één uur tijd was de gehele straat een laaiende vuurzee. Het lijk van de doodgeschoten jongen is mee verbrand. Een regen van vonken daalde over de huizen aan de Mathonsingel neer. De gloed was zo hevig, dat men aan de achterzijde van Stella Maris de hand niet meer tegen de ruiten kon houden. Wij verwachtten elk ogenblik dat de ruiten zouden springen en dat ook de Stella Maris vlam zou vatten.
Tegen het vallen van de avond werd de toestand zo dreigend, dat wij besloten met alle bewoners het huis te verlaten. Wij hadden al lang, volgens voorschrift, koffers gepakt staan met het allernoodzakelijkste om in geval van nood mee te nemen. Mijn zuster en ik vertrokken het laatst uit het huis. Ik sloot de voordeur met de sleutel af. Wij hadden onze fietsen, ieder twee handkoffers en ieder een deken. Waarheen ? Op het Keizer Karelplein lagen enkele lijken. Ook ontplofte zo nu en dan een kleine granaat. Wij wisten toen nog niet, hoe gevaarlijk die waren. De eerste gedachte was : naar Ferd; in zijn huis aan de Beekmansdalseweg is voor ons tweeën nog wel plaats. Het werd ons echter al gauw duidelijk, dat wij met onze bagage nooit zover zouden kunnen komen.
Zo kwamen wij terecht bij mejuffrouw C. Gervers, Oranjesingel 8. Toen wij aan haar huis arriveerden, stond zij met haar dienstbode gereed om te vluchten wegens de branden, die overal in de stad uitbraken en die de lucht in een helle gloed zetten. Wij bewogen haar, met vluchten te wachten tot de brand haar huis genaderd zou zijn, en zij nam ons vriendelijk in huis op, d.w.z. in de kelder, waar reeds te voren enige versterkingen in de vorm van houten balken met stutten waren aangebracht en waar ruimschoots gelegenheid was om op matrassen op de grond te slapen. Van slapen kwam intussen voorlopig niet veel.
Woensdag 20 september (toev.JHS).
Onophoudelijk ontploften granaten dichtbij of verderaf; wij zagen er een inslaan in het huis aan de overkant, Oranjesingel 15, waar mijn collega Mulders vroeger gewoond had (het huis was door de Duitse bezetters in beslag genomen). Wij zijn in de kelder van mejuffrouw Gervers gebleven tot donderdagmiddag 21 september.
Donderdag 21 september (toev.JHS).
Intussen lag de stad onophoudelijk onder vuur. De granaten volgden elkaar zo snel op, dat wij nauwelijks tijd hadden om even naar de keuken te gaan om daar iets te eten of levensmiddelen te halen.
In de loop van donderdagmiddag werd het vuren minder om tenslotte geheel op te houden. Er verschenen groepjes van de binnenlandse strijdkrachten op straat. Zij namen de mitrailleur mee, die de Duitsers in de voortuin van mejuffrouw Gervers hadden achtergelaten en raadden ons aan voorlopig nog binnen te blijven.
Tegen de avond waagden wij ons toch tot het Keizer Karelplein en zagen van verre, tot onze verwondering en vreugde, dat de Stella Maris nog was blijven staan. Het huis daarnaast, waar de Kommandantur gevestigd was geweest, was geheel afgebrand. Wij bleven die nacht nog op Oranjesingel 8 en gingen de volgende morgen, toen steeds meer mensen op straat verschenen, naar huis terug. De andere bewoners, die zich bij onze vlucht door de stad verspreid hadden, kwamen geleidelijk ook terug. In huis was slechts geringe schade aangericht door het springen van enkele kleine ruiten. Bij ons allen overheerste de vreugde wegens het vertrek van de gehate bezetters. Wij konden toen nog niet vermoeden, wat ons verder nog te wachten stond.
Vrijdag 22 september (toev.JHS).
Zo gauw ik die morgen kon, ging ik per fiets naar de Beekmansdalseweg om te zien, hoe het verder met het kind gegaan was. De verwoestingen in de straten, waar ik doorkwam, waren verschrikkelijk. Overal nog brandende of uitgebrande huizen, gebroken ruiten, huisraad op straat. In de omgeving van de brug, waar in de afgelopen dagen zo hevig gevochten was, lag alles in puin.
Des te groter was de vreugde, toen bleek dat de jonge Jan Hendrik nog leefde. Hij moest in een kamer met hoge temperatuur worden gehouden en afgewacht moest worden, of hij in leven zou blijven.
De vreugde over de bevrijding werd spoedig verstoord door de ervaring, dat de stad nog steeds onder vuur lag. Later werd bekend, dat er door de Duitse artillerie van twee kanten naar de stad geschoten werd, n.l. uit Elst en uit het Reichswald bij Kleef. Elke dag en elke nacht vielen de granaten, gewoonlijk in series van zes achtereen. Meestal waren er slachtoffers te betreuren, zodat er elke dag enkele doden vielen. Dit schieten heeft geduurd tot tegen Pasen 1945.
Het was voor de bewoners van de Stella Maris al spoedig duidelijk, dat er geen sprake kon zijn van voortzetting van het normale leven. Gelukkig was er in het sousterrain voldoende ruimte voor alle bewoners om te slapen. Mijn zuster en ik kwamen met twee van de vluchtelingen, met wie de inwoners intussen vermeerderd waren, te liggen in de z.g. kofferkelder, tussen koffers en ander materiaal. De eerste weken lagen wij, geheel gekleed, op matrassen op de grond, maar, zodra bleek dat er voorlopig geen einde aan de beschieting zou komen, liet ik de bedden van de logeerkamer opstellen en daarin zijn wij de eerste maanden, nog steeds geheel gekleed, blijven slapen.
Overdag bleven wij gewoonlijk in onze kamers, maar dikwijls moesten wij overhaast naar de kelder vluchten, wanneer het schieten weer begon. In de eerste weken vielen de granaten nog op vrij grote afstand van ons huis, maar in de loop van october, juist toen het koud begon te worden, vielen er enkele in de nabijheid, waardoor geleidelijk vrijwel alle ruiten van het huis sneuvelden. De gaten van de vensters werden zoveel mogelijk met planken en karton dichtgemaakt. Er drong een ijzige kou in het huis door. In één kamer, n.l. in de voorkamer rechts van de voordeur, vroeger bewoond door mevrouw Indemans, die reeds eerder gevlucht was, waren de ruiten wonderlijk genoeg gespaard gebleven en dit was juist de enige kamer, waar nog een kachel gestookt kon worden. Stoken van de verwarming was niet meer mogelijk, omdat de daarvoor nodige brandstof ontbrak en omdat enkele radiatoren door granaatinslag kapotgeslagen waren.
De eerste dagen na de bevrijding werd weer in de kapel Mis gelezen, maar toen professor Post (1894-1968) eens de Mis wegens nabije granaatinslag moest onderbreken, werd besloten beneden in de hal een altaar op te slaan en daar Mis te lezen. Dit hebben wij volgehouden tot tegen Kerstmis. Maar, aangezien ook de ruiten van de hal gesprongen waren, werd de temperatuur in die koude winter in de hal ondraaglijk. Daarna lazen wij Mis in de éne zitkamer die verwarmd bleef en waar verder alle bewoners van het huis de dag doorbrachten. Ook vandaar moesten wij verschillende malen naar de kelder vluchten. Eens op een morgen sloeg een granaat in de zijtuin; wij vluchtten onmiddellijk naar beneden en hadden juist het parterre verlaten, toen de volgende granaat in de achterkamer rechts van de hal insloeg. Het meubilair van die kamer was grondig vernield; zware stukken ijzer waren door de deur in de hal terecht gekomen.
Pas veel later hebben wij vernomen, welk een ellende in die "hongerwinter" in het niet bevrijde gebied werd geleden. Te Nijmegen was de toestand op het gebied van de levensmiddelenvoorziening wel moeilijk, maar niet verontrustend. Er werden uit de gealliëerde landen levensmiddelen aangevoerd. Eigenlijke honger hebben wij dus niet geleden, maar de rantsoenen waren en bleven beperkt. Middageten kregen wij gewoonlijk van de gaarkeuken in de stad; het werd door een van de vluchtelingen, die wij in huis hadden, in grote emmers gehaald. Voor de academische gemeenschap gaven de Engelsen, die de studentensociëteit aan de Oranjesingel als officersmess in gebruik hadden, elke middag een soep met veel vlees uit. Ik ging daar geregeld naar toe, niet alleen om wat "bijvoeding" te krijgen, maar ook om het contact met collega's en studenten te hervatten. De academische werkzaamheden werden al spoedig in zover hervat, dat wij weer begonnen tentamens en examens af te nemen. Van colleges was nog geen sprake, omdat alle daarvoor bestemde lokalen ons waren ontvallen : het hoofdgebouw en de instituten aan de Mathonsingel en de Muchterstraat waren afgebrand, het aulagebouw was nog in gebruik bij de Hoge Raad, die naar Nijmegen was verbannen. Examens werden afgenomen ten huize van coll. H. Janssen aan de Vossenlaan 13.
Van enige studie of enig werk was in de kamer, waar alle bewoners van het huis bijeen waren, natuurlijk geen sprake. De studiezaal van de Universiteitsbibliotheek en de Openbare Leeszaal tegenover ons waren aan de Duitse brandstichting ten offer gevallen. Er zat dus niets anders op dan de dag in ledigheid door te brengen. Nu en dan waagden wij ons toch op straat, maar herhaaldelijk moesten wij dan een huis binnenvluchten, omdat er weer geschoten werd.
Intussen waren de gealliëerde troepen, Engelsen, Canadezen en Amerikanen, in de stad aangekomen. Wij keken onze ogen uit naar de ontzagwekkende tanks, de voor ons nog geheel onbekende jeeps en de vele andere voertuigen, die zij meebrachten. In de eerste dagen na de bevrijding verwachtten wij een spoedig doorstoten van de gealliëerde troepen naar het Noorden, maar, toen vernomen werd, dat het offensief bij Arnhem mislukt was, werd het duidelijk, dat er voorlopig van een verdere bevrijding van het land niets zou komen. Met de grootste spanning zagen wij dag aan dag de eindeloze colonnes militaire voertuigen de Betuwe intrekken, maar de volgende dag kwamen zij gewoonlijk weer terug, waardoor onze spanning nog slechts vergroot werd. Rond Kerstmis bracht het offensief van Rundstedt nieuwe verontrusting. Wij begonnen met de mogelijkheid rekening te houden, dat de Duitsers zouden te- rugkeren. Gelukkig werd dat gevaar afgewend.
| ◄▬ | Nijmegen bevrijd | ▬► |